Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glip - (spleet)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glip* [spleet] {glyppe 1477} nederduits glepe, van glippen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

glip m. (spleet), + Ndd. glepe: van glippen; vergel. glop en gluipen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2glip s.nw. (krieket)
1. Veldwerkposisie aan die wegkant of skuins agter die paaltjiewagter. 2. Speler in hierdie posisie.
Leenbetekenisse van Eng. slip (1816 in bet. 1, 1833 in bet. 2).
Die posisie word so genoem n.a.v. die veldwerkers in hierdie posisie wat val wanneer hulle agter die bal aan duik.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut