Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glazuur - (glasachtige laag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

glazuur zn. ‘glasachtige laag’
Nnl. eerst in de vorm glazuursel ‘verglaasde laag op aardewerk’ [1708; Sewel], dan glazuur ‘verglaassel op aardewerk; het bekleedsel der tanden’ [1847; Kramers], suikerglazuur ‘suiker met eiwit’ [1862; WNT verglaassel].
Ontleend aan Duits Glasur [1508; Kluge21], afleiding van Glas, zie → glas, met het aan het Frans ontleende achtervoegsel -ur.
De oudste vorm glazuursel kan een stapelvorm zijn: omdat de uitgang -uur in het Nederlands niet gebruikelijk was, maar het verband met glas duidelijk was, maakte men aanvankelijk een afleiding met het productieve achtervoegsel → -sel. Als deze vorm redelijk frequent was, kan het geslacht (onzijdig) ook het oorspronkelijke geslacht van glazuur (vrouwelijk) hebben beïnvloed. Er kan, misschien daarnaast, ook sprake zijn van vermenging van glazuur en het Nederlandse woord verglaassel ‘glasachtige laag’.
Frans glaçure ‘glasachtige laag, het met glas overtrekken’ [1844; Rey], eerder al letterlijk glasur [1771; TLF], is ontleend aan Duits Glasur, niet andersom; men denkt vaak dat Frans glaçure hoort bij het Franse werkwoord glacer ‘van een glimmende laag voorzien’, zie → glaceren, maar deze vormovereenkomst is toeval (Rey).
glazuren ww. ‘met glazuur bedekken’. Nnl. glazeren of glazuren ‘verglazen, met glazuur overdekken’ [1847; Kramers]. Het werkwoord glazuren is wrsch. in het Nederlands afgeleid van glazuur, en niet ontleend aan Duits glasuren [1543; Kluge21], eerder al glasieren [eind 15e eeuw; Kluge21]. Zie ook de uit het Frans ontleende vorm → glaceren ‘van glazuur voorzien’; de vernederlandsing daarvan tot glazeren ‘glazuren, verglazen’ komt ook nog altijd voor (van Dale 1992, Verschueren 1996).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glazuur [glasachtige laag] {glazuursel 1766, glazuur 1824} < hoogduits Glasur, van Glas mogelijk o.i.v. lazuur (vgl. glas).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

glazuur znw. o., eerst 19de eeuw < nhd. glasur (sedert 1508), met de romaanse uitgang (wel naar het voorbeeld van lazuur) gevormd van glas.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

glazuur znw. o., eerst laat-nnl. Wsch. naar nhd. glasur v. (reeds 1678) gevormd, dat gewoonlijk als een afl. van glas met. rom. suffix wordt opgevat. Evenzoo de. glasur uit ’t Du. Het hd. woord is niet uit fr. glaçuře “het met glazuur overtrekken” ontleend, dat bij het ww. glacer, een afl. van glace (< lat. *glacia voor glaciês “ijs”), hoort.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

glazuur. Reeds mnd. glas(s)ü̂re ‘glazuur’ en de afl. glasü̂ren ‘glazuren’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

glazuur o., gelijk Hgd. glasur uit Fr. glaçure, van glacer = glanzen, denom. van glace = ijs, verwant met koud.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

glazuur (Duits Glasur)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

glazuur ‘glasachtige laag’ -> Indonesisch glasur, glasir ‘glasachtige laag’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

glazuur glasachtige laag 1766 [Sewel/Buys] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal