Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glazen - (van glas)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

glas zn. ‘hard, doorzichtig materiaal; drinkgerei’
Onl. in in themo glasfazze (datief ev.) ‘in die glazen buis’ [ca. 1100; Will.], maar dit is een Hoogduitse vorm; mnl. glas ‘doorzichtig materiaal, glas’, uan glase ‘van glas’ [beide 1240; Bern.], ghemaect van glese ‘gemaakt van glas’ [1285; CG II, Rijmb.], corue daer men die glase in dede ‘manden waar men de drinkglazen in borg’ [1286; CG I, 1170], also de zonne dorscijnt een glas ‘zoals de zon door een glazen venster schijnt’ [1350-1400; MNW-R], ook al in samenstellingen als een spieghel glas [1470-90; MNW-R].
Os. glas (mnd. glas > nzw. glas); ohd. glas (nhd. Glas); ofri. gles; oe. glæs (ne. glass); < pgm. *glasa- ‘glas’. Daarnaast met grammatische wisseling: oe. glær ‘barnsteen’; on. gler ‘glas’ (nde. glar); < pgm. *glaza-.
Beide wortels zijn wrsch. afgeleid van de wortel pie. hleh2- (IEW 432) zoals in → glad en → gloeien.
glazen bn. ‘van glas’. Mnl. .i. glasin vat ‘een glazen vat’ [1285; CG II, Rijmb.], .i. glasijn vat ‘id.’, glasine ballen ‘glazen bollen’ [beide 1287; CG II, Nat.Bl.D], een glasen vat [1351; MNW-P]. Afleiding van glas met het achtervoegsel -en van stoffelijke bn., zie → gulden 2. ♦ glazig bn. ‘glasachtig; wezenloos’. Vnnl. eerst glazig ‘van glas’, in 't glasighe krystal ‘het glazen kristal (een spiegel)’ [1612; WNT]; nnl. ook ‘star, wezenloos’, in zijn strakke en glazige oogen [1838; WNT], en ‘doorschijnend en hard’ in de aardappelen zijn ... glazig en oneetbaar [1846; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -ig. De ogen van iemand die star of wezenloos kijkt, kunnen bijna van glas lijken, zodat glazig bij uitbreiding ook gezegd kan worden van blikken en ogen. ♦ glashard bn. ‘ijskoud, onbewogen’. Nnl. eerst alleen letterlijk ‘zo hard als glas’ in staal glashard maken [1865; WNT verhitting], gruizelige klinkers, benevens glasharde [1937; WNT Aanv. gruizel], dan overdrachtelijk ‘hard’, bijv. ‘luid’ in glasharde muziek [1930; Groene Amsterdammer], en ‘hard, onbewogen’ in zakelijk glashard [1935; Groene Amsterdammer], ‘vrij van gemoedsaandoeningen, onbewogen’ [1961; van Dale]. Samenstelling van glas en → hard. De betekenis ‘onbewogen’ heeft thans ook een negatieve gevoelswaarde, zoals blijkt uit het bijwoordelijk gebruik in uitdrukkingen als glashard ontkennen, glashard weigeren.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glazen1* [van glas] {glasijn, glasen 1287} afgeleid van glas; het glazen muiltje van Assepoester berust op een misvatting, doordat voor frans de vair [een witgrijs bont] werd verstaan de verre [van glas].

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut