Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glaucoom - (groene staar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

glaucoom zn. ‘groene staar’
Nnl. glaucom ‘elke tegennatuurlijke verandering der kleuren in het oog, ...’ [1824; Weiland], nergens ziet men zoveel glaucoom als in Egypte [1912; NRC], glaucoom ‘groene staar’ [1922; WNT staar I]. Eerder alleen als kunstwoord bij Meijer glaucoma “ghroenzienigheidt” [1663; Meijer].
Internationale medische term, gebaseerd op Grieks glaúkōma ‘staar, ondoorzichtige plek in het oog’, afleiding van glaukós ‘blauwgroen, grijs’, vanwege de groenige kleur die de vlek in het oog aanneemt, oorspronkelijk ‘glanzend’, van onduidelijke herkomst.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glaucoom [groene staar] {glaucoma 1720} < latijn glaucoma < grieks glaukōma [staar], van glaukos (vgl. glauconiet).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gloukoom s.nw.
Bepaalde oogsiekte.
Uit Ndl. glaucoom (1720).
Ndl. glaucoom uit Latyn glaucoma uit Grieks glaukoma 'katarak', met lg. van glaukos 'blinkend', veral gesê van blougroen water. Die oogsiekte word so genoem n.a.v. die blougrys wasigheid van die pupil.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

glaucoom groene staar 1720 [MEY] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut