Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glans - (schijnsel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

glans zn. ‘schittering’
Mnl. scone vrouwen doer ir glans ‘mooie vrouwen om hun stralende schoonheid’ [1390-1410; MNW-R], die glans des ewigen lichts ‘de stralende gloed van het eeuwige licht’ [1469; MNW-P], glantz ‘schijn, schittering, luister’ [1477; Teuth.]; vnnl. glants ‘schittering, gloed’ [1573; Thes.], de voor'ge glants van al u eer ‘de vroegere glans van al uw roem’ [1593; WNT verzwinden].
Ontleend aan Hoogduits Glanz ‘schittering, schijnsel’, ouder glan(t)z [12e eeuw; Pfeifer], nog ouder het bn. glanz ‘glanzend’ [10e eeuw; Pfeifer], bij het sterke werkwoord glinzen (pas mhd.), zie → glinsteren.
De eerste attestaties verschijnen aan het eind van de 14e eeuw in handschriften die Hoogduitse invloed vertonen. Het woord is veel in de vroege bijbelvertalingen gebruikt en zo ingeburgerd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glans1 [schijnsel] {glantz 1477} een woord uit de devote literatuur, geleend < hoogduits Glanz [glans, schittering], middelhoogduits glanz [idem], van glinzen [schitteren], middelengels glenten [een blik werpen op]; buiten het germ. oudiers glése [glans], russisch gljadet' [zien], verwant met glinsteren, glundergal1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

glans znw. m., mnl. laat in devote geschriften, dan weer bij Hooft < nhd. glanz, waarnaast ohd. mhd. glanz ‘schitterend, glanzig’ en ww. glinzen ‘schitteren’, me. glenten ‘een blik werpen’, nzw. glänta ‘een weinig openen, ophelderen’, on. glettast (< *glantjan) ‘plagen, prikkelen’. — russ. gljadětĭ ‘zien’, oiers atgleinn ‘toont’, glése ‘glans’ (IEW 431). — > ne. glance ‘helderheid, glans’ 1457, vgl. Bense 121).

De idg. wt. *ĝhlend(h) is een dentaalafl. bij *ĝhel ‘glanzen’, waarvoor zie: gal. — Zie verder ook: glunder en glinsteren.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

glans znw. Komt ’t eerst in laat-mnl. devote geschriften voor. Uit mhd. nhd. glanz m. “glans” ontleend (evenzoo de. zw. glans); op ontl. wijst ook Kil.’s spelling glants. Naast dit znw. een ohd. mhd. bnw. glanz “schitterend, glanzig” en de ww. mhd. glinzen “schitteren”, meng. glenten “een blik werpen”, zw dial. glänta “licht worden, zich glanzend vertoonen”, noorw. dial. gletta “kijken”. Van idg. ghlend-, waarvan misschien ook ier. at-gleinn “demonstrat en obg. ględają, ględati “zien, kijken”, die echter ook dh kunnen hebben en dan nauwer met glunder verwant zijn. Naast germ. ʒlenf- > ʒlint- komen ʒleud- en ʒlens- voor: zie glunder en glinsteren. Hoogerop is de basis van gloeien verwant.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

glans m., uit Hgd. glanz, waarnevens Mhd. glinzen = blinken + Zw. glinta, On. glita: Germ. wrt. glint; van hier glanzen (z. ook glad).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1glans s.nw.
1. Uitstraling van lig. 2. Frisheid, luister, luisterryke vertoon, prag.
Uit Ndl. glans (al Mnl. in bet. 1, 1644 in bet. 2). Mnl. glans alleen in kerklike geskrifte en in 1562 in die Bybelvertaling. Die betekeniselement 'blink' kom in Germ. tale voor by talle woorde wat met gl- begin en van mekaar onderskei word deur verskillende vokale en slotklanke, o.a. nog glim, glinster en gloei.
Ndl. glans uit D. Glanz.
Eng. glance, Sweeds glans.

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

glans (Duits Glanz)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

glans ‘schijnsel’ -> Engels glance ‘ertssoorten met een glanzend uiterlijk’ (uit Nederlands of Duits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

glans schijnsel 1477 [Teuth.] <Duits

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut