Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

glad - (vlak, egaal; glibberig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

glad bn. ‘vlak, egaal; glibberig’
Mnl. glad, glat ‘vlak, glibberig, glanzend’ in een visch ... glat als die paeldinc ‘een visch ... net zo glibberig als de paling’ [1276-1300; CG II, Nat.Bl.M], hi ghinc op een glat ijs ‘hij ging over vlak, goed glijdend, ijs’ [ca. 1350; MNW], glatte of glarende ooghen ‘glanzende of glinsterende ogen’ [1485; MNW]; vnnl. glat ‘gepolijst, vlak; zacht, glad’, glat, kael ‘kaal, kaaltjes’, glat, slibberachtich ‘glibberig’, glat ende vet ‘glanzend en vettig’, glat ‘prettig, vrolijk en lief’ [alle 1599; Kil.].
Os. glad ‘vrolijk’; ohd. glat (nhd. glatt ‘glad’); ofri. gled ‘glad’; oe. glæd (ne. glad ‘blij’); on. glaðr ‘glanzend, blij, vriendelijk’ (nzw. glad ‘vrolijk, blij’); < pgm. *glada- ‘blinkend, glanzend’. De betekenissen ‘blij, vrolijk’ zijn overdrachtelijk ontstaan uit ‘glanzend, stralend’.
Verwant met: Latijn glaber ‘glad, kaal’ (< pie. hlh2dh-ro-); Litouws glodus ‘id.’; Proto-Slavisch *gladŭ ‘glad’ (Oudkerkslavisch gladŭkŭ ‘id.’, Russisch gládkij); uit pie. *ghl(e)h2dh- ‘glanzend, vlak’ (IEW 431), wrsch. een uitbreiding bij de wortel hleh2- van → gloeien.
gladjes bn. ‘nogal glad; vlot’. Vnnl. eerst min of meer letterlijk ‘op tamelijk gladde wijze’ in de hakken van een schoen ... die net en gladjes glimmen [ca. 1670; WNT likken II]; nnl. ‘vlot, moeiteloos’ in zo gladjes ... als een paaling die ... glyd in een sloot ‘zo moeiteloos als een paling die de sloot in glijdt’ [1726; WNT vlotgras]. Het bn. glad met verkleinuitgang, zoals in gemoedelijke stijl vaker gebeurt met een bn. of bw. dat iets als ‘klein’ of ‘aardig’ uitdrukt, bijv. fijntjes, bleekjes, zoetjes, stilletjes. ♦ gladweg bw. ‘volkomen, zonder voorbehoud’. Nnl. ‘volkomen, totaal’ in gladweg te vergeten hoe ... [1868; WNT], zoo'n heel lied gladweg te kunnen opdreunen [1871; WNT vergen I]. Samenstelling van glad in de betekenis ‘vlot, moeiteloos’ en → weg 1 in de betekenis ‘wijze’, zoals ook in gewoonweg en → verreweg.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

glad* [egaal] {glat, glad [glad, glinsterend] 1287} oudsaksisch glad [vrolijk], oudhoogduits glat [glad, glinsterend], oudfries gled [glad], oudengels glæd [glanzend, blij] (engels glad), oudnoors glaðr [glanzend, vrolijk]; buiten het germ. latijn glaber [onbehaard], oudkerkslavisch gladŭkŭ [glad], litouws glodus [glad].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

glad bnw., mnl. glat ‘glad, glinsterend’, os. glad (in gladmōdi) ‘vrolijk’, ohd. glatt ‘glad, glinsterend’, ofri. gled ‘glad’, oe. glæd ‘glanzend, blij, vriendelijk’ (ne. glad), on. glaðr ‘glanzend, vrolijk’. — lat. glaber (< *ghladhro) ‘glad, kaal’, osl. gladŭkŭ ‘glad’, litt glodùs ‘glad aanliggend tegen’, glódžiu, glósti ‘polijsten, slijpen’, lett. glaštu, glāstīt ‘strelen’, opr. glosto ‘slijpsteen’ (IEW 432). — > ne. glad? (nl. in dial. met bet. ‘glad, effen’; vgl. Bense 120).

Dit zijn dentaal-afl. van een idg. wt. *ghlē : ghlǝ, zelf weer gevormd van de onder gal besproken wt. *ghel. — H. Schwarz, Fschr. Trier 1954, 439-449 wil uitgaan van de bet. ‘ontschorsen van een boom’, waaruit de bet. ‘glad’ als eigenschap van de te voorschijn komende houtoppervlakte voortvloeit. Maar daar dit hout een witglanzende kleur heeft, trad nu ook de bet. ‘glanzend’ op.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

glad bnw., mnl. glat (tt; een verbogen vorm *glāde komt niet meer voor) “glad, glinsterend”. = ohd. glat “id.” (nhd. glatt), os. glad (in gladmôdi “vroolijk”), ofri. gled “glad-”, ags. glæd “glanzend, blij, vriendelijk” (eng. glad), on. glaðr “id.”. De oorspr. bet. van germ.*ʒlaða-, idg. “ghlədho- is “blinkend, glanzend”, reeds idg. ook “glad”. Verwant zijn lat. glaber “glad, kaal”, obg. gladŭkŭ “glad”, lit. glodùs “glad tegen iets aanliggend”. Idg. ghlêdh-, ghlôdh-, ghlədh- komt van een korteren wortel ghelê-. Zie gloeien.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

glad bijv., Mnl. glat, Os. glad + Ohd. glat (Mhd. id., Nhd. glatt), Ags. glæd (Eng. glad), Ofri. gled, On. glađr (Zw. en De. glad) + Lat. glaber (b = dh in de nabijheid van r), Lit. glodùs, Osl. gladŭkŭ (Ru. gladkje), verwant met glans, glas, glimmen, glinsteren, gloren.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

glad b.nw.
1. Geheel en al, heeltemal. 2. Met 'n oppervlak waarop maklik gegly word. 3. Met geen ongelykhede op die oppervlak nie. 4. Vloeiend, vlot. 5. Selfs, inderdaad, sowaar. 6. Wat moeilik betrap of gevang kan word. 7. Wat nie maklik vasgevat of vasgehou kan word nie. 8. Fyn beskaafd.
Uit Ndl. glad (1573 in bet. 1, 1599 in bet. 2, eerste optekening in Die Bybel, waarna 1608 in bet. 3, eerste optekening in Die Bybel, waarna 1626 in bet. 4, 1626 in bet. 5, 1630 in bet. 6, 1655 in bet. 7, 1810 in bet. 8). Eerste optekening in Afr. by Pannevis (1880), o.a. ook in bet. 1.
D. glatt (8ste eeu).

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

glad bn., (ook:) sluik, steil (gezegd van haar). Een mooier gezicht dan Marta, minder uitgesneden, maar charmanter, langer, beter*, gladder haar, open zwarte ogen en lippen... hm (Dobru 1967: 20).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Glad, brengt men evenals glas, glans, glinsteren, glimmen in verband met den wortel gli, die helder zijn, blinken moet beteekent hebben.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

glad ‘egaal’ -> Engels † glat ‘egaal’; Schots † glid; glaid ‘soepel bewegend, vrij van weerstand; glibberig’; Deens glat ‘egaal’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Noors glatt ‘egaal’ (uit Nederlands of Nederduits); Frans dialect glatir ‘glanzen’; Negerhollands glat ‘egaal’; Berbice-Nederlands glati ‘egaal’; Papiaments † glad ‘egaal’; Sranantongo grati ‘egaal, vlak, sluik; effenen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

glad* egaal 1287 [CG NatBl]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

5. Hij is zoo glad als een aal,

d.i. men heeft geen vat op hem, hij weet zich door zijne slimheid uit alle ongelegenheden te redden; vroeger ook in de bet.: daar is niets van hem te halen, hij is geldeloos, ‘zoo naakt als een luis’. Vgl. fr. il est glissant comme une anguille; hd. er ist so glatt wie ein Aal; aalglatt; nd. he is so glatt as en Al; eng. he is as slippery as an eel. Reeds in het Grieksch: λειος ωσπερ εγχελυς; Latijn: anguilla est: elabitur, bij Plautus, Pseud. 747. Zie Ndl. Wdb. V. 4; 9 en vgl. in het Mnl. Rose, 9287:

 Een Wijf es, dat verstaet,
 Lange te houdene alsoe quaet,
 Diermen haren wille nine doet,
 Alse es te houdene in die vloet
 Een levende ael met sinen steerte.

993. Zich op glad ijs wagen,

d.w.z. zich wagen op een gevaarlijk terrein, waar men niet vast staat; waar men niet zeker is van zich zelven: een onderwerp bespreken, waarvan men niet op de hoogte is; of wel: ongepaste, dubbelzinnige dingen zeggen. Vgl. mlat. qui currit glaciem, se monstrat non sapientem; Hooft, Brieven, 256: In plaats van haar eigen heer ende meester te zijn, zal zijne Ed. duizentderley' wederwaardigheeden van meesters en knechts moeten dulden, ende in suiker opeeten, om zelf tot eenige merkelijke vorderinge te geraaken, ende, die verworven hebbende, altijdts op een gladt ys staen. Zie ook Winschooten, 91; Halma, 236; Sewel, 973: Hy staat op een glad ys, he stands on a slibbery ice, i.e. he is in a slibbery condition; het Ndl. Wdb. V, 3; VI, 1413; Wander I, 800: sich auf dünnes Eis wagen (vgl. bij Couperus, Eline Vere I, 202: zich of dun ijs wagen) en vgl. nog fri. hy jowt him (begeeft zich) op glêd iis.

1579. Iets voor goede (of gangbare) munt opnemen (of aannemen),

In eigenlijken zin het geld, dat men ontvangt voor echt, niet valsch of voor gangbaar houden, en vandaar bij overdracht: gelooven wat iemand zegt; iets in ernst opvatten; hd. etwas für bare Münze nehmen; fr. prendre qqch. pour argent comptant. In de 17de eeuw vrij gewoon; zie het Ndl. Wdb. IV, 238; IX, 1239; 1240; Huygens IV, 201; verder Van Effen, Spect. IX, 138; XII, 61; 167; C. Wildsch. III, 81; 246; IV, 192; Slop, 187: Hij wist niet of hij die woorden als goede munt moest bewaren of er om lachen; Villiers, 84: Hy neem alles vir goeie munt aan; vgl. het syn. iets voor contant nemen (17de eeuw); iets voor gereed (of goed geld) opnemen; iemand iets voor gladde (of echte) munt in de hand stoppen.

2180. De stoep is daar glad.

Men bezigt deze zegswijze, als er veel meisjes uit hetzelfde gezin kort achtereen trouwen: ‘de vrijers kunnen het huis niet voorbij, maar struikelen als 't ware op de stoep’ (Ndl. Wdb. V, 2). Liever zou ik verklaren ‘er komen veel vrijers over den stoep, die daar door glad wordt,’ blijkens Dardanelli, Hist. d. Queesters, 282: Na dien zy (zekere boerendochter) in den somer weinig besoeck hadde, maar 's winters was de neering goed, dan wierd de drempel gladAangehaald in Ndl. Wdb. III, 3285.. Ook in het fri.: de stoepe es dêr glêd; der leit siippe op 'e stoepe of de drompel is dêr glêdKomen ergens geen vrijers dan zegt men: Ik scil de drompel whet ûfskûrje of de frijers wâdzje dêr de drompel net swart. Hier wordt dus gedacht aan een gladden stoep, waarover de vrijers gemakkelijk naar binnen glijden.; Draaijer, 40: de stupe is daor glad, de meisjes gaan daar grif weg.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal