Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gips - (kalkpleister, zwavelzure kalk; mineraal, gesteente)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gips zn. ‘kalkpleister, zwavelzure kalk; mineraal, gesteente’
In het mnl. alleen als Latijns woord: gipsus [1485; MNW]; vnnl. als bouwmateriaal: gyps [1573; WNT], plaester, gips [1567; WNT], ghips [1599; Kil.]; nnl. als scheikundige term gijps [1778; WNT], gips [1855-68; WNT].
Ontleend aan Latijn gypsum, dat zelf is ontleend uit Grieks gúpsos, met de post-klassieke uitspraak [i] voor de u. De verdere herkomst is onduidelijk. Ontlening aan een Semitische taal wordt aangenomen, waarbij Arabisch jibs en Hebreeuws gèves worden genoemd; een vorm *gubs die regelmatig in Grieks gúpsos zou resulteren, lijkt echter niet te bestaan.
Laat-ohd. gips (nhd. Gips); me. gypsus (ne. gypsum).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gips [pleister] {gypse 1477} < frans gypse < latijn gypsum [gips, krijt] < grieks gupsos [gips, krijt], van semitische oorsprong, vgl. misjnaïsch hebreeuws gebhes [gips, pleisterkalk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gips znw. o., mnl. ghips < lat. gypsum < gr. gúpsos < arab. ǧibs (Lokotsch. Nr. 716).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gips znw. o., mnl. ghips o. Uit lat. gypsum, < gr. gúpsos. Ook in andere talen, bijv. laat-ohd. (nhd.) gips m.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gips. Gr. gúpsos zal wel van sem. oorsprong zijn.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gips o., gelijk Hgd. id. en Fr. gypse, uit Gr.-Lat. gypsum, gúpsos, van Perz.-Ar. jibs, jabsīn = pleister.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

1gips s.nw.
Gebrande, fyngemaalde en waterhoudende swawelsuurkalk wat hard droog word en daarom dikw. gebruik word om gebreekte bene te spalk en afgietsels van vorms te maak.
Uit Ndl. gips (1778).
D. Gips (11de eeu), Eng. gypsum (1387), Fr. gypse (16de eeu).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gips (Latijn gypsum)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gips ‘pleister’ -> Indonesisch gip, gips ‘pleister’; Japans gipusu ‘pleister’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gips pleister 1477 [Teuth.] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal