Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

ginder - (daar, op die plaats)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

ginder, ginds bw. ‘daar, op die plaats’
Mnl. ginder in myn cleet ‘daarginds in mijn kleed’ [1220-40; CG II, Aiol], ginder, van ginder ‘daar, van daar’ [1240; Bern.], in hemelrike ginder bouen ‘in het hemelrijk, daarboven’ [1265-70; CG II, Lut.K]; vnnl. ginder [1573; Thes.], ghender [1599; Kil.]. Daarnaast bestaat ginds: mnl. ghins beneuen hare ‘op die plaats naast haar’ [1265-70; CG II, Lut.K], ook ghens ‘daarheen’ in de uitdrukking hare en ghens ‘her en der’ [1265-70; CG II, Lut.K] en gontswaer ‘naar de andere kant’ [1281; CG I, 606]; vnnl. gins [1573; Thes.], gints [1590-1600; WNT].
Zie bij → gene.
De Nederlandse vormen gaan terug op pgm. *jen-; de e in de positie voor nasaal plus consonant is een i geworden, zoals ook gebeurd is in → twintig naast → twee. De vorm ginder, ghender is te analyseren als gen- + -der, waarbij -der het suffix voortzet dat we in Gotisch jain-dre ‘daarheen’ en/of jain-þro ‘daarvandaan’ vinden. De Middelnederlandse vorm ghins, ghens is een bijwoord dat gevormd is uit gen- met bijwoordelijke → -s, zoals bijv. ook → elders en → ergens. De d in ginds is misschien ontstaan als overgangsklank t tussen n en s (reeds 1281 gonts-waer) en als d geschreven onder invloed van ginder, maar al in het Middelnederlands komen ook vormen met -t- maar zonder -s of -er voor, als zn. in onder de steene ghint ‘onder die steen daar’ [1285; CG II, Nat.Bl.D], als aanw. vnw. gint swert ‘dat zwaard’ [14e eeuw; MNW gint], waarin gint gezien wordt als de onzijdige vorm van gene (MNW); in dialecten komen vormen als gind, gunt nog voor.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 40 opm. 2 en par. 78

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

ginder* [daar] {1220-1240} van dezelfde stam als gene; vgl. voor de vorm gotisch jaindrē [daarheen], engels yonderginds.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

ginder bijw., mnl. ghinder, ghindre ‘daar, ginds’ (ook gunder, gender, gonder), gevormd van de stam van gene, vgl. met gelijke formatie got. jaindrē.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

ginder bijw., mnl. ghinder, ghindre (vormen met u, o, e voor i zijn niet talrijk) “daar, ginds”. Van den stam van gene. Formantisch vgl. got. jaindre “daarheen”. Nnl. ginter is een jongere vorm.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

ginder. Ook mnd. ginder, gender.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

ginder bijw., Mnl. ghinder + Ags. geonder (Eng. yonder), Go. jaindra: van gene.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gunter bw. (deftig; verouderd)
In die verte.
Uit Ndl. gunter (al Mnl.). Die volgende wisselvorme kom in Ndl. voor: gender, ginder, gonder, gunder en gunter, waarvan lg. as plat beskou word (WNT). Die geronde vorm in die alg. roep in Ndl. assosiasies op 'aan de taal der plattelanders' (Kloeke 1950: 195). In Afr. is daar aan die anderkant weer 'n neiging tot ontronding. Die feit dat Afr. die geronde vorm het, toon aan dat dit so oorgeneem is (sien egter ginds). Ndl. gunter en sy wisselvorme hou oorspr. verband met die aanwysende vnw. gene 'daardie', en die lett. bet. van gunter is 'daarheen'.
Vgl. Eng. (be)yond, yonder.

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gunter: – ginder/ginter – , enigsins ouderwets, ook in byv. vorm gunterse, in bet. “daar” t.o.v. plek of tyd (WAT); Ndl. gunter (plat byvorm v. ginder/ginter), hou verb. m. Ndl. gene (bv. in Ndl./Afr. diegene) en Ndl./Afr. ginds, asook m. Eng. (be)yond en yon(der) en Hd. jener en jen(seits), wsk. verb. m. Lat. enim en Gr. enê en enos, “oormôre”; v. ook Kloe HGA 194 vlg.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Ginder, afl. van gene, met ’t zelfde achtervoegsel dre als in ’t Got. n.1. jaindra; ’t bet.: daarheen. Ook ginds van gind (dat nog in ’t dialect voorkomt) is van gene gevormd, evenals bijv. ’t Got. jaind van jains = gene (overgang van j in g).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ginder ‘daar in de verte, daar op die plaats’ -> Petjoh gunter, gunder, ginter, ginder ‘daar in de verte, daar op die plaats’; Negerhollands na genter ‘daar in de verte, daar op die plaats’; Berbice-Nederlands kendre(si) ‘andere kant’; Skepi-Nederlands giente ‘daar in de verte, daar op die plaats’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

ginder* bijwoord van plaats: daar 1220-1240 [CG II1 Aiol]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut