Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gillen - (schel schreeuwen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gillen ww. ‘luid en schel schreeuwen’
In het mnl. uitsluitend in de vorm ghellen, bijv. 1 hont beghinnet ghellen ‘een hond begint te janken (of: luid te blaffen?)’, 1 zwijn ghellet ‘een varken gilt’ [beide 1287; CG II, Nat.Bl.D]. Daarna vanaf vnnl. ghillen ‘sissen, fluiten, gieren, etc.’ [1588; Claes 1994a], ghillen ‘id.’ [1599; Kil.], gilden (pret.) ‘kraakten, knarsten’ [voor 1638; WNT]. Het werkwoord heeft in het mnl. naast de sterke verleden tijd: Tibert ... gal ‘Tibert krijste’ [1460-80; MNW-R], ook al een zwakke verleden tijd: een jonge vigghe ghelde ‘een jonge big gilde’ [1350-1410; MNW-R].
In de andere Germaanse talen komt het werkwoord voor met -e- als stamklinker, en is het sterk: mnd. gellen, ohd. gellan, oe. giellan (ne. yell, zie → yell). on. gjalla (ouder nzw. gälla); < pgm. *gellan- uit ouder *gelnan-. Verwant met mnl. galen ‘lawaai maken’, zie → galm en → nachtegaal.
Voor de -i- vanaf het Vroegnieuwnederlands noemt NEW als mogelijke verklaring Nederlandse verandering van e tot i onder invloed van de voorafgaande g- (zoals ook juk en juffrouw waar o tot u is geworden onder invloed van de voorafgaande j-); dit is mogelijk maar onzeker. Eerder is gillen klankwettig in dialecten ontstaan; in het oosten en zuiden (Kiliaan 1599 voorziet het woord van de aanduiding ‘Hollands, Rijnlands’) komt umlaut voor in de 2e en 3e pers.ev. presens van sterke werkwoorden (de zogeheten e-i-Wechsel). Vanuit de dialecten kan het hele presens -i- hebben gekregen en het feit dat het om een expressief (ook wel “affectief”) woord gaat, kan aan de verspreiding hebben bijgedragen. NEW verklaart de -i- als ‘affectieve klinkervariant’, maar het is niet erg waarschijnlijk dat de expressiviteit van een woord spontaan tot klinkervariatie leidt. Als er klinkervariatie bestaat, kan echter wel gekozen worden voor de meest expressieve klinker.
gil zn. ‘luide en schelle kreet’. Vnnl. gil ‘id.’ [1671; WNT]. Een vrij recente afleiding van het werkwoord gillen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gillen1* [schel schreeuwen] {ghillen 1588, gellen 1451-1500} middelnederduits gellen, oudhoogduits gellan, oudengels giellan (engels to yell), oudnoors gjalla, verwant met galm.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gillen ww., Kiliaen noemt deze vorm holl. sicamb. naast mnl. gellen ‘schreeuwen’, mnd. gellen, ohd. gellan, oe. giellan (ne. yell), on. gjalla ‘schreeuwen, gillen’. — Van de idg. wt. *ghel; zie voor de verdere verwanten bij galm en nachtegaal.

De i van gillen kan, evenals in gist en gisteren (onder invloed van g?) dial. uit e ontstaan zijn, maar zal eerder een affectieve klinkervariant zijn om de hoge klank aan te duiden.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gillen ww. Oorspr. een dial., door Kil. “Holl. Sicamb.” genoemde vorm naast mnl. ghellen (praet. gal en ghelde) “schreeuwen”. Oudnnl. gillen beteekent ook “knarsen”. Voor de i vgl. bil en ook blinken. Mnl. ghellen = ohd. gëllan (nhd. gellen), mnd. gëllen, ags. giellan (eng. to yell), on. gjallen “een luiden klank doen hooren, schreeuwen”. Een germ. sterk ww., ablautend met *ʒalanan (zie galm). Gr. khelidṓn “zwaluw” is verwant, evenals ndl. nachtegaal. Os. gëllon “muttire” kan ook nog hierbij hooren. Hoogerop heeft men de woordfamilie van schel II vergeleken (met s-prefix!): te gewaagd.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gillen. Het znw. † gil niet bij Kil., wel later-17e-eeuws.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gillen 1 ono.w. (schreeuwen), Mnl. ghellen + Ohd. gellan (Mhd. en Nhd. gellen), Ags. giellan (Eng. to yell), On. gjalla (Zw. gälla, De. gjalde): overal sterk, uitgen. Nhd. en Nndl. (z. galm).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gillen van ’t Gem. gel, gal; zie Galm.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gillen* schel schreeuwen 1588 [Claes]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut