Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gijzelen - (als gijzelaar gevangenzetten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gijzelaar zn. ‘gegijzelde; gijzelnemer’
Mnl. ghiseler ‘gegijzelde’, g(h)iselair ‘gegijzelden’ [ca. 1346; MNW]; vnnl. (mv.) gijselaers ‘personen als onderpand’ [1592; WNT weder III], ghijseler ‘gegijzelde, borg’ [1599; Kil.]. Ouder is mnl. gisel ‘gegijzelde, persoon als borg, onderpand’: hi escet iemene gisel ‘hij (de rechter) stelt iemand borg’ [1237; CG I, 37]; vnnl. gysel oft gyseler ‘gegijzelde’ [1573; Thes.], te gyzel gegeeven [ca. 1635; WNT]; nnl. ook gijzelaar ‘degene die gijzelt’ [1984; van Dale].
Gijzelaar is afgeleid met het achtervoegsel → -aar van mnl. gisel, ‘gijzelaar, borg’, een woord dat de Germaanse talen wrsch. als technische term aan het Keltisch hebben ontleend.
Os. gīsal (mnd. giselere); ohd. gīsal (mhd. gīsel, nhd. Geisel); on. gísl (nzw. gisslan); < pgm. *gīsla- ‘gegijzelde’. Dit kan teruggaan op ouder *geisslo-.
Verwant in het Keltisch: Oudiers gíall ‘gijzelaar’; Welsh gwystl ‘borg, gijzelaar’; < Proto-Keltisch *geisslo-. Verwant met Litouws geīsti ‘verlangen’; Oudkerkslavisch žĭdati ‘wachten op’ (Russisch ždat'); < pie. *gheidh-tlo- ‘middel tot vragen, borg’, een afleiding van pie. *gheidh- ‘verlangen’.
Doordat het achtervoegsel → -aar vrijwel uitsluitend wordt gebruikt om nomina agentis te vormen, dus de handelende persoon aangeeft, wekt het woord gijzelaar verwarring en wordt het vanaf de tweede helft van de 20e eeuw ook wel gebruikt om degene te benoemen die iemand in gijzeling houdt, naast de persoon die in gijzeling wordt gehouden.
gijzelen ww. ‘(iemand) als onderpand vasthouden’. Mnl. Schepene van middelburg ... moeghen ghiselen hare portres dar si tvist vp vermoeden ‘de schepenen van Middelburg mogen hun burgers gijzelen van wie zij vermoeden dat die een vete hebben’ [1254; CG I, 59]; vnnl. ghijselen ‘gijzelen, (een persoon) als onderpand vasthouden’ [1599; Kil.]. Afgeleid van het oude zn. gisel. Dezelfde afleiding bestaat ook in andere Germaanse talen: mhd. gīseln ‘gijzelaar zijn of worden’, oe. gīslian ‘gijzelaars geven’, on. gísla ‘in gijzeling geven; als gijzelaar aannemen’. Niet duidelijk is of deze werkwoorden onafhankelijk gevormd zijn, of dat het werkwoord al in het Proto-Germaans van *gīslan- was afgeleid.
Lit.: P.C.H. Schrijver (1995), Studies in British Celtic Historical Phonology, Amsterdam, 405

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gijzelen ww., mnl. ghîselen. Van mnl. ghîsel. Vgl. met andere bet. mhd. gîseln “gijzelaar zíjn of worden”, ags. gîslian “gijzelaars geven”, on. gîsla “id.”, maar ook “als gijzelaar aannemen”.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gijzelen ‘als gijzelaar gevangenzetten; (verouderd) iemand een bepaalde plaats aanwijzen waar hij moet verblijven totdat hij een bevel of afspraak nagekomen is’ -> Frans dialect † guiseler ‘iemand een woonplaats aanwijzen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gijzelen als gijzelaar gevangenzetten 1254 [MNW] <Keltisch

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut