Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gijn - (takel; takeltouw)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gijn zn. ‘takel; takeltouw’
Vnnl. trossen, kabels en gijens (mv.) ‘trossen, kabels en gijntouwen’ [1573; WNT jijn], gijns (mv.) ‘takels’ [1656; WNT zwaluwstaart], (mv.) giens ‘takels’ [1656; Stoops 1992], geyn, jeyn ‘id.’ [1671; WNT], jijn ‘gijntouw’ [1697; WNT jijn]; ook in de samenstelling gijnblox (mv.) ‘takels, gijnblokken’ [1656; WNT verscheren].
Algemeen wordt aangenomen dat gijn is ontleend aan Engels gin ‘hijswerktuig; werktuig in het algemeen’ [ca. 1200; BDE]; dit laatste is een ontlening uit Frans gin ‘werktuig’, een afkorting van Oudfrans engin ‘werktuig’, dat teruggaat op Latijn ingenium, zie → ingenieur. Dat het Nederlands in dat geval de klinker van Engels gin tot de tweeklank ij, ey maakt en dat de Engelse beginklank /dž/ tot Nederlands /g/ is geworden wekt twijfels aan deze herkomst, evenals het feit dat de Franse vorm gin voor engin ‘werktuig’ zeldzaam is. In het Duits is het woord pas sinds de 18e eeuw geattesteerd en wel als Gien, dus niet met een vocaal die uit het Engels kan komen. In het Nederduits en het Fries komt het woord ook voor, steeds met lange -ī- Gezien het bestaan van een werkwoord pgm. *geinan- of *gīnan- ‘gapen’ is het denkbaar dat er een afleiding van dit werkwoord bestond met de betekenis ‘gaper’, dat wegens overeenkomst tussen de vorm van het werktuig en een opengesperde kaak ‘takel’ is gaan betekenen. De overeenkomst tussen nnl. gijpen ‘naar adem snappen’ en de zeilterm → gijpen ‘omslaan van de bezaan bij het voor de wind zeilen’ kan op dezelfde betekenisoverdracht berusten (al bestrijdt FvW dit).
Nnd. (Nedersaksen) gīn ‘zware (scheeps)tros’, (Sleeswijk-Holstein) gīn ‘takel, katrol; takel voor paarden en koeien’ en ‘tros om planken op te takelen’, (Oost-Pruisen) gīn ‘hijstouw’; Oost-Fries jīn, gīn ‘hijstouw’, Noord-Fries (Föhr, Amrun) gīn. De vormen die verband houden met ‘gapen’ zijn os. gīnan, oe. gīnan, on. gína ‘gapen’; daarbij oe. gin, on. gin ‘muil’; bij pgm. *geinan- of *gīnan- ‘gapen’.
Lit.: Y. Stoops (1992), ‘Vroege attestaties van ouder taalmateriaal’, in: NTg 85, 297-301

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gijn, jijn [takel] {1656} < engels gin, verkort uit engine < oudfrans engin [vaardigheid, uitvinding, apparaat] < latijn ingenium (vgl. ingenieur).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gijn znw. o. ‘takel uit verschillende blokken bestaande’ dan ook ‘touwsoort voor deze takels’ < ne. gin d.i. engine (ook als ‘hijsblok’ gebruikt) < fra. engin < lat. ingenium. — Uit het nl. > nd. gīn en vandaar nhd. gien, de. gi, gie, zw. gina.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gijn (takel; ook: “touw, dat in het gijn gebruikt wordt”; oudnnl. ook: “gijnblok, drieschijfsblok”) znw. o. Uit eng. gin = engine o.a. “hijschblok” < fr. engin > lat. ingenium. Uit ’t Ndl. ndd. gîn, daaruit weer hd. gien, de. gi, gie, zw. gina.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gijn o. (takel), gelijk Ndd. gien, en Eng. gin, verkort uit Eng. engine, hetwelk van Fr. engin = werktuig, uit Lat. ingenium = aangeboren inborst, verstand, uitvinding, behoorende bij denz. wortel als kunne.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gijn ‘zware takel’ -> Duits Gien ‘zware takel’; Deens gie ‘zware takel’; Zweeds gina ‘zware takel’ (uit Nederlands of (Neder- of Hoog-)Duits); Russisch gin'; gínec ‘zware takel’; Lets gīna ‘takel’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut