Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gigolo - (betaalde minnaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gigolo zn. ‘betaalde minnaar’
Nnl. gigolo ‘modeheertje, fat’ [1919; Kramers II], ‘betaald danser’ [1931; Kramers II], ‘door vrouw onderhouden of betaalde minnaar’ [1935; WNT Aanv.].
Ontleend aan Frans gigolo ‘betaalde minnaar of danspartner’ [1901; Rey], eerder al ‘elegante jongeman wiens bronnen van inkomsten verdacht zijn’ [1894; Rey] en oorspronkelijk ‘minnaar van een meisje van lichte zeden’ [1850; Rey]. Misschien gevormd bij het vrijwel gelijktijdig geattesteerde gigolette ‘meisje van lichte zeden’, een afleiding van gigue ‘dijbeen, bout’, en ook ‘vrolijke, opgeruimde vrouw’ (Rey), dat van onduidelijk herkomst is. Misschien ook is gigolo een afleiding van gigue ‘vrolijk danswijsje, vrolijke dans’ [1650; Rey], ontleend aan Engels jig ‘id.’ dat uiteindelijk teruggaat op Oudhoogduits gīga ‘vedel’ (zie → giek 2), een gigolo is in dat geval dus oorspronkelijk een ‘vrolijke (beroeps)danser’ (BDE).
Het woord bestond al in het Middelengels: gigelot, giggelot, gigelo, gegelot (en nog meer spellingsvarianten) ‘vrouw van losse zeden, courtisane, slet; schurk, slechterik’; alleen in Cornwall (MEW); ook bestond gig(ge) ‘(onbezonnen, losbandige) jonge vrouw; onhandige, boerse kerel’ (MEW). Men neemt aan dat deze woorden moeten zijn ontleend uit het Oudfrans, maar ze worden daar niet aangetroffen. Het is niet duidelijk welke rol deze Middelengelse woorden hebben gespeeld bij het ontstaan van de moderne Franse woorden gigolette en gigolo (BDE, Rey).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gigolo [beroepsdanser, betaalde minnaar] {1926-1950 in de betekenis ‘beroepsdanser’; als ‘betaalde minnaar’ na 1950} < frans gigolo, gevormd als mannelijke pendant naast gigolette [dansmeisje], van gigoter [in argot: dansen], van gigue [danswijsje] < engels jig, van oudfrans gigue [viool], dat uit het germ. stamt, vgl. middelnederlands gige [luit, viool], hoogduits Geige.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gigolo s.nw.
1. Manlike persoon wat teen betaling as dansmaat of metgesel van 'n vrou optree. 2. Manlike persoon wat leef van die verdienste van prostitute of deur 'n ouer vrou onderhou word in ruil vir seksuele dienste.
Uit Eng. gigolo (1922 in bet. 1 en 2).
Eng. gigolo uit Fr. gigolo, die manlike vorm van gigole 'lang, maer vrou, straatvrou of vrou wat in openbare danssale gesien word'.
Ndl. gigolo (1931 in bet. 1, 1935 in bet. 2).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gigolo (Frans gigolo)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gigolo ‘betaalde minnaar’ -> Indonesisch gigolo ‘betaalde minnaar’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gigolo betaalde minnaar 1935 [Aanv WNT] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut