Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gift - (schenking)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gift zn. ‘schenking’
Mnl. gigte ‘schenking, liefdegave etc.’ [1240; Bern.], te ghiften ‘inzake deze schenking’ [1262; CG I, 77], gheifte ‘schenking’ [1267; CG I, 111], ghift ‘id.’ [1280-87; CG I, 495]; vnnl. gifte [1574; WNT], gift [1561-63; WNT], ghichte (“verouderd”), ghifte ‘geschenk’ [1599; Kil.].
Afleiding, in alle Germaanse talen, van → geven.
Mnd. gifte, ohd. gift ‘gave, vergif’ (nhd. Gift ‘id.’); ofri. jeft, jefte (nfri. jefte, jifte ‘gave’), oe. gift, gyft ‘huwelijksgift’ (ne. gift ‘gave’ uit on.); on. gipt, gift ‘gave, lot’ (nzw. gift); got. fra-gifts ‘verloving’; < pgm. *gifti- < ouder *gefti-, een afleiding van het ww. *geban- ‘geven’.
In het Middelnederlands komen vormen met -ch- voor: gigte, gicht etc., maar Kiliaan noemt ghichte al ‘verouderd’. De -ft werd vanaf de 10e eeuw -cht, zoals in → gracht < graft. In gift werd de -f- analogisch hersteld, omdat men het verband met geven bleef zien; een dergelijk herstel vond bijv. ook plaats in → ziften < zichten bij zeven, → schrift < scricht bij mnl. scriven ‘schrijven’.
Lit.: Schönfeld 1970, par. 83

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gift* [geschenk] {gift(e), gichte 1201-1250} middelnederduits gifte, oudhoogduits gift, oudfries jeft(e), oudengels, oudnoors gipt, van geven.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gift znw. v. ‘gave’, mnl. ghifte, ghichte (met herstel van f onder invloed van geven), mnd. gifte, ohd. gift, ofri. jeft, jefte ‘gift’, oe. gift ‘huwelijksgift, koopprijs voor de bruid’, on. gipt, gift ‘geschenk, geluk’ (> me., ne. gift), got. fra-gifts ‘verloving’. — Abstractum bij geven.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gift (gave), mnl. ghifte naast klankwettig ghichte v. Jongere vorm voor ghicht. = ohd. (nhd.) gift v., mnd. gifte v., ofri. jeft, jefte v. “gift”, ags. gift v. “huwelijksgift, koopprijs voor de bruid” (eng. gift uit ’t Noorsch), on. gipt v. “gave, lot”, (got. fra-gifts v. “verloving”). Abstractum bij geven.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gift 1 v. (gaaf), Mnl. ghift, ghicht, Os. gift + Hgd. id.: van den præsensstam van geven.

gift 2 o. (vergif), jonger gif, is hetzelfde w. als gift 1, als vertaling van Gr.- Lat. dosis.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gif (zn.) gave, schenking; Vreugmiddelnederlands gigte <1240>.

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

2gif s.nw.
1. (deftig) Geskenk. 2. Aalmoes, liefdesgawe.
Uit Ndl. gift (Mnl. gifte in bet. 1, 1784 - 1785 in bet. 2). Mnl. gifte oorspr. 'n afleiding met -te van geven 'gee'. Naas Mnl. gifte ook klankwettige vorm gicht, nog by Bredero, met die gewone oorgang van Oudgermaans ft tot cht in Ouwesnederfrankies, waartoe Mnl. behoort. In enkele gevalle, o.a. gift, is ft 'analogisch hersteld' (Van Loey 1954: 95).
D. Gift, Eng. gift, Goties -gifts in fragifts 'verlowing'.
Vgl. 1gif.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gift ‘geschenk’ -> Fries gift ‘geschenk’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gift* geschenk 1240 [Bern.]

M. De Coster (1999), Woordenboek van Neologismen: 25 jaar taalaanwinsten, Amsterdam

gift (← Eng.; acron. van gamete intra fallopian transfer), voortplantingstechniek waarbij ei- en zaadcellen van een paar dat geen kinderen kan krijgen in de eileider worden samengebracht. Deze techniek ontstond in het midden van de jaren tachtig. Omdat de bevruchting in het lichaam zelf plaatsvindt, prefereren veel medici deze methode boven de reageerbuisbevruchting. → in-vitrofertilisatie*.

G.i.f.t.: afk. v. gamete intra-fallopian transfer, een vorm van kunstmatige inseminatie, waarbij mnl. en vrl. gameten in een eileider worden samengebracht. (G. Kloosterhuis: Coëlho. Zakwoordenboek der Geneeskunde, 1989)
Na zes mislukte pogingen suggereerde de gynaecoloog iets nieuws: de GIFT (Gameet Intra Fallopian Transfer), een voortplantingstechniek waarbij ei-en zaadcellen in de eileider worden samengebracht. De wachttijd bedroeg een jaar, de kosten f 3.750. (HP/De Tijd, 06/09/91)
GIFT. Bij Gamete Intrafallopian Transfer worden onder volledige verdoving tijdens een kijkoperatie de eicellen en zaadcellen in de baarmoeder bij elkaar gebracht voor bevruchting. (Elsevier, 31/01/98)
Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut