Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gierzwaluw - (gierzwaluwachtige)

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gierzwaluw* [soort van zwaluw] {ghier-swaluwe 1599} zo genoemd omdat ze in de paartijd met een gierend geluid achter elkaar aan vliegen.

Thematische woordenboeken

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GIERZWALUWApus apus
Duits Mauersegler
Engels Swift
Frans Martinet noir
Fries Toerswel
Betekenis wetenschappelijke naam: de pootloze. Gierzwaluwen brengen hun leven hoofdzakelijk in het luchtruim door. Ze jagen er op insecten, soms zelfs slapen ze er, vliegend op grote hoogte en vaak ook paren ze in de lucht. Zo wendbaar en snel ze in de lucht zijn, zo weerloos zijn ze op de grond. Ze hebben zeer zwakke poten waarmee ze zich nauwelijks op de grond kunnen verplaatsen of er vandaan vliegen. Doorgaans laten ze zich vanaf een hooggelegen plaats ‘vliegend vallen’. Het element ‘gier’ is waarschijnlijk afgeleid van het werkwoord gieren, in de betekenis van schreeuwen, gillen. Ook een andere betekenis van dat woord, te weten ‘heen en weer gaan, van koers afwijken’, kan van invloed zijn geweest op de naamgeving. Beide begrippen lijken van toepassing op de, vooral in de broedtijd zeer luidruchtige, en in de lucht zo wendbare vogel. De Friese weergave van de naam is Gierswe(a)l of Giersweluw (SFr); in andere delen van het land spreekt men van Gierswaalfke (Gr) en Gierzaveltje (NH). Andere namen verbonden met de schelle kreten die de vogels slaken zijn Gûlswe(a)l (gûl = schreeuw) (Fr), Piip-, Piper- of Pypswe(a)l (Fr), Steenkrijter, Stienkrijer (ZH), Zwarte Krijter en Schreeuwer (Vla). Dat door het luide geschreeuw van de vogel deze dikwijls gezien werd als een voorbode van slecht weer blijkt uit de namen Onweerstieters (WZV), Onweerszwaluw (ZVl), Donderzwaluw, Tongerswe(a)l (Fr), Tongerswâlje (Sch) en in Mieren (Kat), een woord dat donderen, donderjagen betekent. Terug te voeren op de scherende vlucht zijn de namen Scheer(zwaluw) (LvC), Schierzwaalver (Dr) en Wikelsweal (verg. wiekelen) (Fr). In het Twentse Skierzwaalve zou de schreeuw van de vogel zijn nagebootst. De betekenis lijkt vergelijkbaar met de plaatselijk in Engeland voorkomende naam Skeer Devil, een variant op Scare Devil: een geluid waar je de rillingen van krijgt. Een oude boeknaam ontleend aan het Duits is Spier-Swaluwe, waarin wordt gedoeld op de spitse vleugelvorm. In relatie tot de broedplaats, doorgaans gemaakt in holten en spleten van rotsen, oude gebouwen e.d., kreeg hij namen als Kerkzwaluw (Vla), Muurzwaluw, Torenzwaluw (Tex), Toerswel (Fr), Steenspreeuw (NB), Stînzwallew (NB), Steinzwelf (Lb) en Steenzwaluw (Vla). In de buurt van zijn nest ‘haakt’ de Gierzwaluw zich met zijn naar voren gerichte tenen vast aan muren en rotsen. Vandaar de volksnamen Haker en Steinbock (Maa). Zijn verblijf in steden wordt benadrukt door het Limburgse Städschwälber en Stadszwerbel (Maa).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gierzwaluw* gierzwaluwachtige 1567 [Junius 64a]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut