Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gierzwaluw - (gierzwaluwachtige)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Gierswel Alternatieve friese naam voor de Gierzwaluw ↑ (officieel fries is: Toerswel). Oudere spellingvormen zijn Gier-swael (1635) [Swaen 1941 p.83], Gierswael [De Vries 1911] en Giersweal [De Vries 1928; ViF 1977].
Het eerste lid is ws. fries gier(j)e ‘gieren, schreeuwen, gillen’. Fries -swel = -zwaluw.

Gierzwaluw Apus apus (Linnaeus: Hirundo) 1758. Vogel die Linnaeus nog als verwant met de echte Zwaluwen beschouwde, maar dit verre van is. De echte Zwaluwen hebben wel een gevorkte staart en trekken ook vaak met Gierzwaluwen op en mee, zodat de naamgeving vanuit het volk wel begrijpelijk is. Bij ons in het broedgebied maken Gierzwaluwen zich kenbaar met hun luide geschreeuw of gegier (volksnaam Steenkrijter, in Duitsland Quiekschwalbe, in Engeland Screech Martin, Squeaker). Friese volksnamen Gierswel ↑, Piipswel, Piperswel, Gûlswel; de officiële friese naam is Toerswel (‘torenzwaluw’).
BENOEMINGSGESCHIEDENIS Schlegel 1852 noemt de soort GIERZWALUW, in 1828 Steenzwaluw (p.241). B&O 1822 noemen hem “De Gier- of Steenzwaluw”. In NV 1770 is het Gier-Zwaluw.
Houttuyn 1763 m.b.t. de N naam voor Linnaeus’ nr.5 onder de ‘Zwaluwen’: “Wy noemen deeze, die, om dat zy nooit op den Grond zitten gaat, van de Ouden Hirundo Apus, dat is zonder Pooten geheten wordt, naar den Hoog-duitschen naam Gier-Zwaluw; hoewel zy eigentlyk, wegens haar nestelen in oude Gebouwen, Steen-Zwaluw moest heeten.” De hoogduitse naam waarnaar Houttuyn verwijst, staat vermeld bij een afbeelding van een (duidelijk herkenbare) Gierzwaluw in Jonston 1660 Tab.42, linksonder: “Apus Geijr Schwalb Kirchen Schwalb”. Dat ook aan deze D naam het gieren van de vogels ten grondslag ligt, lijkt niet aannemelijk, gezien D Gerschwalb en Geyerschwalb (naast Spyr en Spyrschwalb) in HG 1669.
Kiliaan 1599 geeft de N naam Ghier-swaluwe. Later geeft de VK (c.1618) ook nog: “Spier, Spier-voghel, Spier-swalcke, Spier-swaluwe ... hirundinum, sax. spyrswalcke.” Mogelijk is hier, net als bij Ghierlitse, al te vrijelijk uit de D woordenschat geput (Spiere = Spier-schwalbe (oude D naam), thans D Mauersegler). Jonston 1660 noemt “Spijr Schwalb” als naam voor de Huiszwaluw. Zie verder onder Spier-swaluwe. vDE 1993 noemt Schierzwaluw ↑, waarmee de Gierzwaluw kan zijn bedoeld. [Wilms 960403; Jackson 1968; HN 1905; Van Beckum 1952; HG 1669]

Vale Gierzwaluw Apus pallidus (Shelley: Cypselus) 1870. Een verwant van onze Gierzwaluw ↑ uit Zuid-Europa, die nog niet met zekerheid in N is vastgesteld (wel in Engeland). Vergeleken met onze Gierzwaluw is de Vale Gierzwaluw een tintje lichter bruin, maar toch nog altijd zeer donker. ‘Vaal’ staat hier daarom wellicht in de betekenis “verschoten, verbleekt”, zoals stoffen en weefsels kunnen zijn, en dan in vergelijking tot de donkerder kleur (bijna zwart) van de Gierzwaluw. Ook de wetenschappelijke naam wijst in die richting (pallidus ‘bleek’).

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GIERZWALUWApus apus
Duits Mauersegler
Engels Swift
Frans Martinet noir
Fries Toerswel
Betekenis wetenschappelijke naam: de pootloze. Gierzwaluwen brengen hun leven hoofdzakelijk in het luchtruim door. Ze jagen er op insecten, soms zelfs slapen ze er, vliegend op grote hoogte en vaak ook paren ze in de lucht. Zo wendbaar en snel ze in de lucht zijn, zo weerloos zijn ze op de grond. Ze hebben zeer zwakke poten waarmee ze zich nauwelijks op de grond kunnen verplaatsen of er vandaan vliegen. Doorgaans laten ze zich vanaf een hooggelegen plaats ‘vliegend vallen’. Het element ‘gier’ is waarschijnlijk afgeleid van het werkwoord gieren, in de betekenis van schreeuwen, gillen. Ook een andere betekenis van dat woord, te weten ‘heen en weer gaan, van koers afwijken’, kan van invloed zijn geweest op de naamgeving. Beide begrippen lijken van toepassing op de, vooral in de broedtijd zeer luidruchtige, en in de lucht zo wendbare vogel. De Friese weergave van de naam is Gierswe(a)l of Giersweluw (SFr); in andere delen van het land spreekt men van Gierswaalfke (Gr) en Gierzaveltje (NH). Andere namen verbonden met de schelle kreten die de vogels slaken zijn Gûlswe(a)l (gûl = schreeuw) (Fr), Piip-, Piper- of Pypswe(a)l (Fr), Steenkrijter, Stienkrijer (ZH), Zwarte Krijter en Schreeuwer (Vla). Dat door het luide geschreeuw van de vogel deze dikwijls gezien werd als een voorbode van slecht weer blijkt uit de namen Onweerstieters (WZV), Onweerszwaluw (ZVl), Donderzwaluw, Tongerswe(a)l (Fr), Tongerswâlje (Sch) en in Mieren (Kat), een woord dat donderen, donderjagen betekent. Terug te voeren op de scherende vlucht zijn de namen Scheer(zwaluw) (LvC), Schierzwaalver (Dr) en Wikelsweal (verg. wiekelen) (Fr). In het Twentse Skierzwaalve zou de schreeuw van de vogel zijn nagebootst. De betekenis lijkt vergelijkbaar met de plaatselijk in Engeland voorkomende naam Skeer Devil, een variant op Scare Devil: een geluid waar je de rillingen van krijgt. Een oude boeknaam ontleend aan het Duits is Spier-Swaluwe, waarin wordt gedoeld op de spitse vleugelvorm. In relatie tot de broedplaats, doorgaans gemaakt in holten en spleten van rotsen, oude gebouwen e.d., kreeg hij namen als Kerkzwaluw (Vla), Muurzwaluw, Torenzwaluw (Tex), Toerswel (Fr), Steenspreeuw (NB), Stînzwallew (NB), Steinzwelf (Lb) en Steenzwaluw (Vla). In de buurt van zijn nest ‘haakt’ de Gierzwaluw zich met zijn naar voren gerichte tenen vast aan muren en rotsen. Vandaar de volksnamen Haker en Steinbock (Maa). Zijn verblijf in steden wordt benadrukt door het Limburgse Städschwälber en Stadszwerbel (Maa).

Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gierzwaluw* [soort van zwaluw] {ghier-swaluwe 1599} zo genoemd omdat ze in de paartijd met een gierend geluid achter elkaar aan vliegen.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gierzwaluw* gierzwaluwachtige 1567 [Junius 64a]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut