Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

giervalk - (roofvogel)

Thematische woordenboeken

K.J. Eigenhuis (2004), Verklarend en etymologisch woordenboek van de Nederlandse vogelnamen, Amsterdam

Giervalk Falco rusticolus Linnaeus 1758. Zware soort van Valk, die in het wild in de Lage Landen zeer zelden opduikt, maar meer bekendheid geniet/genoot in de Valkerij. Het ♂ van deze soort zou in de Valkerij bekend staan onder de naam “geertelsel” [diverse edities van vD, overgenomen in B&TS 1995], maar het tweede deel hiervan moest tersel zijn.
Voous (1981; Vogels 1: 14-16) wees op de vele mogelijkheden (en meningsverschillen) die er ten aanzien van de etymologie van deze vogelnaam bestaan. De afleiding van het ohd gir(i) die tot de naam Gier ↑ heeft geleid, vindt tegenwoordig in de woordenboeken geen genade meer. Er blijven echter genoeg alternatieven over en het kan zo zijn dat in alle een kern van waarheid schuilt. (Vgl. onder Grijp ↑ waar ook verschillende etymologieën het zelfde woord kunnen opleveren.) Een bemoeilijkende factor bij de etymologie van Giervalk is de zee van ruimte en tijd: de Valkerij is bij veel volkeren populair, en dit al 40 eeuwen lang!
De Giervalk heeft een circumpolair, hoognoordelijk broedgebied, dus zou men de oorsprong van de naam, zoals de eerste theorie inderdaad aangeeft, uit het ‘noorden’ verwachten. Anderzijds komt de Valkerij van oorsprong uit het Midden-Oosten, waar mogelijk veel meer met de nauwverwante Sakervalk ↑ werd gejaagd dan met de Giervalk, wat de introductie van de naam Giervalk (eventueel verward met de Saker of de Lanner) in Europa vanuit de ‘latijnse’ landen zou kunnen verklaren (zoals Terres 1980, en voor een deel ook Weekley 1967, doen). Het zwakke van deze theorieën is dat de Giervalk, waar het nu om gaat, uiteindelijk toch uit het ‘noorden’ afkomstig moet zijn en wel voornamelijk langs de weg van de ‘handel’, omdat de Giervalk van nature niet geneigd is ver naar het zuiden te trekken. Het aannemelijkst is dan ook de theorie die naar oudnoords geir ‘speer(punt), pijl’ verwijst. Dit zou op de Giervalk van toepassing kunnen zijn wegens de donkere vlekken op de onderzijde van de vogel, die aan speerpunten doen denken. Grossman & Hamlet 1964 (p.76) verklaren de naam ‘speervalk’ echter naar de krachtige rechte vlucht als van een met kracht geworpen speer.
Oudnoords geir en keltisch gearr kunnen ook naar de Reuzenalk Pinguinus impennis verwijzen (E Gare-fowl geirfugl), maar het verband met de Giervalk is dan moeilijk te vatten, tenzij er sprake is van een taboenaam (noa-name) dan wel een spotnaam (de Reuzenalk kon niet vliegen, geheel in tegenstelling tot de Giervalk) [Lockwood 1993 sub Garefowl].
ETYMOLOGIE N officieel Giervalk, N Geervalk gheervalke, ghervalke, gervalke [JvM c.1266, d.w.z. in latere handschriften, vs.1237, 3629, 3630]. Er zijn drie verschillende inzichten.
1. [Lockwood 1993; vDE 1993; NEW 1967; VT 2000; Wahrig 1992; Robert 1993; Blok 1988] N Giervalk, en alle hierop gelijkende woorden, inclusief F Gerfaut (girfaus (eind 12e eeuw)) geirfalki, waarbij falki ‘-valk’ en geir letterlijk ‘speerpunt’ (in N geer, elger ‘Aalvork’ en avegaar ongeveer ditzelfde woord), maar met de bijbetekenis van ‘excellent’ [Lockwood], zoals ws. ook tot uitdrukking komt in de vele germ mansnamen met Ger- en -ger als Gerard, Gerbrand, Gerlach, Gerlof, German, Rutger etc. [Van der Schaar 1994]. In de moderne scandinavische talen wordt geen officiële naam meer gehanteerd die aan oudnoords geir herinnert: zweeds/noors Jaktfalk, deens Jagtfalk, ijslands Valur (valr ‘valk’)
2. [Weekley 1967] E Gyr Falcon en alle hierop gelijkende woorden (o.a. It Girfalco, Sp en portugees Gerifalte, maar óók oudnoords geirfalki) gerfauc. Weekley vervolgt dan: Het element ger- is teutoons (germaans) gezien het bestaan van de middelengelse eigennaam Wirfauc, wat m.b.t. wir- zou kunnen aansluiten bij oudnoords verðr ‘waardevol’, duidend op de hoge waarde van de Giervalk in de Valkerij. Hierbij zij opgemerkt dat de VK naast Ghier-valck ook het N(??) synoniem “Gerfau” bevat).
3. [Terres 1980] E/Am Gyrfalcon gyrofalco, verbastering van Lat Hierofalco ‘heilige Valk’; vgl. hierbij Sakervalk. Kleinschmidt verenigde deze namen in zijn benaming voor de Giervalk: Falco hierofalco gyrfalco, maar in de moderne nomenclatuur rest alleen nog het woord Falco.

Witte Giervalk Onofficiële, maar anno 2003 goed begrepen N naam voor de witte kleurfase van de Giervalk ↑. [De naam komt voor op de ‘pieperlijst’ van Dutch Birding semafoonhouders als nummer 211, met als bijbehorende wetenschappelijke naam dezelfde als die van “nummer 210 Giervalk”: Falco rusticolus.] Vroeger werd aan de naam van het lemma de wetenschappelijke naam “Falco rusticolus candicans Gmelin 1788” verbonden; toen ging men ervan uit dat de Witte Giervalk een ondersoort of subspecies was. BENOEMINGSGESCHIEDENIS Bij Houttuyn heette dit taxon Witte Valk (p.149 en 150), welke naam echter op p.172 en bij de “Aanwyzing der Plaaten” (Plaat 31 afbeelding 3) niet genoemd wordt (daar: “Giervalk”). Thijsse 1944 noemt de naam van het lemma (p.83). De CNNV 1946 stelde “Groenlandsche giervalk” voor.
Houttuyn: “De witte Valk munt in schoonheid boven de anderen uit, en wordt hierom by de Vorsten meest geagt. Veele Leenmannen, in sommige deelen van Europa, zyn verpligt geweest, aan hunnen Leenheer jaarlyks hulde te doen, met denzelven zulk een Vogel ter hand te stellen ... De Koning van Denemarken zendt jaarlyks een Schip naar Ysland, om van daar, inzonderheid, witte Valken te haalen, die van hem wel eens worden present gedaan aan deeze of gene Mogendheden.”

H. Blok en H.J. ter Stege (2008), De Nederlandse vogelnamen en hun betekenis, 4e editie, Leidschendam

GIERVALKFalco rusticolus
Duits Gerfalke
Engels Gyr Falcon
Frans Faucon gerfaut
Fries Jachtfalk
Betekenis wetenschappelijke naam: valk die in het veld leeft. In de Oudnoorse naam Geir(falki), de oudst bekende, heeft ‘Geir’ de betekenis van speer, pijl. Onzeker is of hiermee gedoeld wordt op de vorm van de borst- en buikvlekken dan wel op de vorm van het lichaam ofwel op de snelheid waarmee de vogel vliegt. Daar Giervalk en Giervogel ook namen waren voor de Reuzenalk (uitgestorven 1844), zou de naam volgens sommigen ook betrekking kunnen hebben op het grote formaat van deze valk. Lang geleden was de Giervalk aan vorstenhoven vooral een statussymbool. Men pronkte dan graag met een geheel witte vogel, die in het hoge noorden was gevangen. Valkeniers noemden ze Groenlandse Giervalk en IJslander, terwijl zij het mannetje de naam Geertersel en het wijfje de naam Geervalk gaven. Ornithologen onderscheiden de vormen Geervalk (F.r. rusticolus; deze is wat kleiner en niet geheel wit), IJslandse Valk (F.r. islandus) en Groenlandse Valk (F.r. candicans = ‘witachtige’).

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

giervalk (Oudnoor(d)s geirfalki)
Etymologische (standaard)werken

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

giervalk [roofvogel] {ge(e)rvalke 1287} middelhoogduits girvalke, gervalke < oudnoors geirfalki; het eerste lid is een woord voor ‘speer, pijl’, dat als tweede lid in elger optreedt. Het dier is genoemd naar de op pijlen lijkende strepen op de veren.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

giervalk znw. m., mnl. ghiervalke, ouder gheervalke, mhd. gervalke, girvalke (14de eeuw), mnd. gērvalke. Het woord stamt uit het Noordgerm., het on. kent geirfalki en met de valkenjacht kwam de naam naar het continent. De vogel werd zo genoemd omdat de witte veren door de schachtpennen met zwarte strepen bestrooid zijn; die strepen deden denken aan pijlpunten (vgl. on. geirr ‘speer’ en verder: elger).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

giervalk znw., mnl. ghiervalke naast ouder gheervalke (reeds bij Maerlant) m. De ee komt ook nog nnl. voor. = mhd. (14. eeuw) ger-, girvalke, mnd. gervalke, on. (12. eeuw) geirfalki m. “giervalk”, ’t Germ. woord houden sommigen voor een ontl. uit ’t Rom.: mlat. gyrofalco e.a. vormen, it. girfalco, fr. gerfaut (ontl.: eng. ger-, gyrfalkon). [’t Eerste lid hiervan is wel van lat. gyrâre “zich in een kring bewegen” afgeleid.] Dit is onwsch. èn om ’t vocalisme èn omdat de vogel uit Skandinavië en niet uit de rom. landen in Midden-Europa geïmporteerd is. Eer een germ. woord; in het eerste lid wil men wel *ʒaiza- (zie elger) in de bet. “zitstang” zien, ook wel *ʒaizan- (ndl. geer): de vogel zou dan naar zijn gestreepte veeren heeten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

giervalk m., ouder geervalk, Mnl. gheervalke + Mndd. gervalke, Mhd. gerfalke, On. geirf̯alki: een niet duidelijke samenst. met geer2 en valk. Een ander w. is Mlat. gyrofalco, It. girfalco, Fr. gerfaut.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

giervalk roofvogel 1287 [CG NatBl] <Oudnoor(d)s

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut