Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gierig - (inhalig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gierig bn. ‘inhalig’
Onl. ande machot hin giregan thes ewigan rihduomes ‘en maakt hem begerig naar de eeuwige rijkdom’ [ca. 1100; Will.]; mnl. girech ‘verlangend’ [1240; Bern.], gireg ‘hebzuchtig’ [1240; Bern.], daarnaast mnl. ghier ‘gulzig’ [1287; VMNW].
Afleiding van twee semantisch verwante wortels, de wortel van → geeuwen ‘gapen, openstaan’, dus ook ‘hongeren, smachten’ en die van → begeren ‘verlangen’ en → gaarne.
Mnd. gīr ‘gierig’; ohd. girig ‘begerig, gretig’ (nhd. gierig ‘id.’); nfri. gjirrich ‘gierig’; ozw. girugher ‘gierig’ (nzw. girig ‘gierig’); daarnaast de zn. os. fehu-giri ‘geldzucht’ (samenstelling met als eerste lid ‘geld, bezit’, zie → vee); got. faihugeirō ‘geldzucht’ (id.). Deze afleiding met een -g-achtervoegsel naast een zn. en een bn. zonder dit achtervoegsel: ohd. girī ‘begeerte’; nhd. Gier ‘verlangen’, en zie ook → gier 1. Er lijkt een vermenging te hebben plaatsgevonden van de twee semantisch verwante wortels pgm. *gi- ‘gapen, openstaan’ > ‘hongeren, smachten’, zie → geeuwen, en pgm. *ger- ‘verlangen, begeren’, zie → gaarne en → begeren.
gierigaard zn. ‘gierig persoon’. Vnnl. ghierighaerd ‘vrekkig mens’ [1599; Kil.]; nnl. gierigaard ‘id.’ [1821-43; WNT]. Afleiding met het achtervoegsel → -aard.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gierig* [inhalig] {gi(e)rich [begerig, gretig, hebzuchtig, vraatzuchtig] 1201-1250} van middelnederlands gier [begerig, gretig, ook geldgierig], oudhoogduits giri [idem], komt van dezelfde stam als geeuwen en betekent eigenlijk ‘hijgend naar’. Het ww. begeren heeft een andere afstamming. In de uitdrukking gierig als de pest valt moeilijk uit te maken of gierig hier in de oude betekenis van ‘begerig’ is gebruikt (de pest maakte talloze slachtoffers) dan wel in de betekenis van ‘vrekkig’ (de pest gaf geen slachtoffers terug).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gierig bnw., mnl. ghierich ‘begerig, hebzuchtig, gulzig’, afl. van mnl. ghier (zelfde bet.), ohd. gīri ‘begerig’, gīrheit ‘hebzucht’; afl. van de germ. wt. *gī < idg. *ĝhēi, waarvoor zie geeuwen. Het betekent dus eig. ‘hijgen, snakken naar’. — Zie ook: gier 1.

Het ww. begeren, hoewel semantisch verwant, komt evenwel van een andere stam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gierig bnw., mnl. ghierich “begeerig, verlangend, hebzuchtig, gulzig”. Afl. van mnl. ghier “id.”, nog dial. = ohd. gîri “begeerig”, gîr- in gîrheit v. “hebzucht” (nog dial. geier “met gastronomische neigingen”), waarvan md. (15. eeuw) geyrich “gierig”, en mnd. gîr, gîrich “id.”. Oorsprong onzeker. Misschien verwant met begeren: de î is dan door “entgleisung” te verklaren. [NB. hd. gierig, ohd. girîg, owfri. gyrig komt direct van ʒër-.] Of met formantische r bij de basis germ. ʒī̆- (zie geeuwen), dus eigenlijk “gapende naar”?

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gierig. Met het oog op de î ook in got. faíhugeiro v. ‘hebzucht’ (zo te lezen i.pl.v. -geigo Hs.) is het beter het woord van bege[e]ren te scheiden en bij de germ. basis ʒī̆- van geeuwen te brengen, waarvan ook ags. gîw m. ‘gier, grijp’, bij gier I Suppl. vermeld. Wel zullen tussen de r-afll. van deze basis en verschillende bij germ. ʒer- behorende woorden vroeg associaties hebben bestaan; vgl. behalve de in het art. tussen [ ] vermelde woorden nog os. fëhu-girî v. ‘hebzucht’ (van ʒer -) met het juist vermelde got. woord.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gierig bijv., Mnl. ghierich + dial. Hgd. geierig: van een wrt. gîr, waarnevens wrt. ger, van welken gaarne, begeeren, geer 1. en Hgd. gierig.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gierig b.nw.
Hebsugtig, inhalig, vrekkerig.
Uit Ndl. gierig (Mnl. gierich). Mnl. gierich is 'n afleiding met -ich '-ig' van 'n Mnl. b.nw. gier 'hebsugtig, inhalig, vrekkerig'. Hierdie b.nw. is tans ook in Ndl. verouderd. Die oorspr. klinker ee, dus geer, nog in wysgeer.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gie’rig (op), 1. inhalig, gulzig. Hé daar, klonk plotseling een vrolijke stem, wat is dat voor een ruzie hier? En dat nog wel om een doodgewone bacove*. Jullie zijn gierig, hoor (Maynard a: 12). - 2. begerig (naar), belust (op). Kom geef mama [hier het meisje van aangesprokene] een zoen en vinger op de mond, dan zal mama je alles vertellen, ja? Zo, thats my boy... neen niet zo gierig zijn. Later (Dobru 1968c: 41). Dan weer roepen ze dat hij sluit* is: gierig op centen* (Cairo 1980c: 305). Ik ben niet gierig op amsoi* (mond.) = ik houd niet zo van amsoi. - 3. zuinig (op). Neem bij voorbeeld gouverneur Van Heemstra. Wel als dié man naar de binnenlanden ging met zijn hele staf. Eten! Die gouverneurs van nu zijn gierig, hoor (Vianen 1972: 8). Maar de schone dingen bewaren ze [Chinezen] in hun hart, de enige schat waarop ze gierig zijn (Helman 1964: 25). - 4. jaloers (op). Tata wist dat ze nooit gierig was op andere mensen hun goed (Cairo 1978b: 26). - Etym.: Vgl. S gridi, E greedy, D gierig = inhalig, gulzig. AN gierig = vrekkig; vroeger ook SN bet. 1 en 2 (WNT 1889). BN ’gierig zijn met’ = karig, terughoudend zijn met. - Zie ook: sluit*, botonaat*.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gierig: zie begeeren (z. d. w.). Gier was: verlangen, begeerigheid, gulzigheid, vgl.: „Siet Reinaert hier, den fellen ghier” (= slokop).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gierig ‘inhalig’ -> Petjoh gier'g, girig, gieriek ‘inhalig’; Berbice-Nederlands giri ‘inhalig’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gierig* inhalig 1100 [Willeram]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

694. Gierig als de pest,

d.w.z. zeer gierig; in deze uitdr. heeft gierig nog wellicht de vroegere bet. van begeerig, daar de pest vele slachtoffers eischt; maar ook aan vrekkig kan worden gedacht, daar de pest niets van hare prooi teruggeeft; vgl. gierig als het graf (zie Spreuken 30, 16); in Jord. 399: gierig als de dageraad; zoo gierig als 'n brand (S.M. 90); zie Ndl. Wdb. IV, 2299. In het fri. sa gjirch as de pest; naast pestgierig (in Kunstl. 79); in Gron. gierig as 'n pod (pad); in Zuid-Nederland gierig als een spin (Joos 18); als een duvel of hij is zoo gierig dat hij brandt of stinkt (Teirl. 504; Antw. Idiot. 494); in 't fr. avare comme un chienVgl. fr. il est comme le chien du jardinier, qui ne mange pas de choux et n'en laisse pas manger aux autres..

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut