Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

giek - (rondhout)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

giek 2 zn. ‘dwarshout aan een mast’
Vnnl. geik “hout-spaeck ... om zeil aen te doen” [1671; WNT] (maar bij dezelfde aldaar geciteerde auteur ook gijken); nnl. gyk ‘spriet waarmee het lijzeil wordt uitgezet; boom’ [1729; WNT], giek ‘rondhout onder aan het zeil’ [1897; Koenen].
Wrsch. een variant op pgm. *gīg-, zie → giechelen, of direct afgeleid van pgm. *gī ‘gapen, schuin gaan’, zie → gijpen 1. Het woord betekent dan dus ‘heen en weer gaande spriet’.
On. geiga ‘zijdelings afwijken, scheef lopen’ (nno. geige, geie ‘zwaaien, tollen’); pgm. < *gaigan; ofri. gêja ‘boete betalen’, oe. for-gægan ‘afdwalen’; pgm. < *gaigjan-. Verwant is voorts ohd. gīga ‘vedel’, de Nieuwhoogduitse dialectwoorden geigen die ‘heen- en weergaan’ betekenen zijn alle afgeleid van het instrument, en niet omgekeerd (Grimm).
Het WNT (1889) heeft als ingang gijk en vermeldt “voorheen ook geik, in de uitspraak soms ook giek”. De tegenwoordig algemene vorm giek moet afkomstig zijn uit een dialect waarin de lange -i- niet werd gediftongeerd tot -ij-.
Uit het Nederlands ontleend zijn Nieuwhoogduits Giek (1e attestatie 1729 als gyk), Frans gui ‘id.’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

giek2 [onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip] {1671} zal verwant zijn met giek1, het rondhout beweegt sterk tijdens manoeuvreren, vgl. ook gieren2.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

giek 2 znw. m. ‘spriet om een zeil aan uit te zetten’, waarnaast ook gijk. De vorm giek wijst op een woord van de kusttaal en zou met verscherping kunnen uitgaan van een grondvorm < gīga ‘(misschien beweeglijk) heen en weer zwaaiende spriet’, vgl. on. geiga ‘zijwaarts afwijken’, nijsl. nnoorw. dial. geiga ‘heen en weer zwaaien’, geigla, geigra, geina ‘scheef gaan’, giga, gigla, gigra ‘los staan, waggelen’. — Zie ook: gei en gek 2. — > fra. gui (sedert de 17de eeuw, zie Valkhoff 155).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gei (gew. geitouw o. genoemd) znw., geien ww. (een zeil met geitouwen inkorten, gorden). Sedert de 17. eeuw. Vgl. in de du. zeetaal gei v. “het loshangen van een zeil”, geitau o. “geitouw”, aufgeien “geien, opgeien”, geie v. “touw of ketting, waardoor een boom of davit steun ontvangt”. Wsch. is de ndl. spelling met ij in overeenstemming met de afkomst: vgl gijk; giek “uitstekend hout, spier”, ook “keertouw” en “een soort lijzeil”, = ndd. gîk (nhd. giek) (uit ’t Ndd. ’t ww. de. gie, give, zw. giga “geien”), met de samenstt. ndl. gijktouw, du. giektau o. > de. gi(e)taug, givtaug, zw. gigtåg en gijkzeil, du. gieksegel o. > de. gigseil. Wellicht van een germ. basis ʒī̆- “loshangen, in draaiende, schommelende beweging zijn”, waarover zie gijpen II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

giek 1 v. (uitstekend hout), bijvorm van gijk.

gijk v. (uitstekend hout), waaruit Hgd. giek, De. gi, Zw. gick, Fr. gui: oorspr. onbek.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Debrabandere (2007), Zeeuws etymologisch woordenboek: de herkomst van de Zeeuwse woorden, Amsterdam

jik zn.: driekantig zeil boven het grootzeil. Wellicht hetzelfde als gijk, giek ‘spriet waarmee een sprietzeil wordt uitgezet; lijzeil’, verkort uit gijkzeil. Ndd. gîk, D. Giek, De. gig, On. geiga ‘wankelen’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

giek ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’ -> Deens dialect gik ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’; Frans gui ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’; Pools gik ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’ (uit Nederlands of Duits); Russisch gik ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’; Bulgaars gik ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’ ; Litouws gikas ‘onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

giek onderste parallelle rondhout van een langsgetuigd schip 1671 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal