Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

giechelen - (ingehouden lachen op hoge toon)

Etymologische (standaard)werken

Michiel de Vaan (2014-2018), Addenda EWN, gepubliceerd op www.neerlandistiek.nl"

Zie ook kukelen
[Gepubliceerd op 15-10-2015 op Neerlandistiek.nl]

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

giechelen ww. ‘ingehouden lachen op hoge toon’
Vnnl. gichelen ‘lachen, grinniken, honend lachen, uitbundig lachen, schateren’ [1573; Thes.], ghichelen, gichen ‘schaterlachen’ [1599; Kil.].
Een klanknabootsend woord dat in vele varianten in vele talen bestaat, zodat Indo-Europese verwanten nauwelijks aan te wijzen zijn; vergelijk ook → kakelen, → gakken.
Ohd. kihezzen, gickezzen ‘giechelen’ (mhd. gickeln ‘spotten’, nhd. gichelen, gichern, gickern); ne. to giggle. Frequentatief op -elen van een klanknabootsende wortel *gīg-, die in mnl. gīghen ‘hikken’ of ‘niezen’, nnl. (dial.) gijgen ‘hijgen’ bewaard is, zie → hijgen.
Van de wortel *gīg- is ook afgeleid Laat-Oudhoogduits giga ‘vedel’, Nieuwhoogduits Geige ‘viool’, dus ‘die een hijgend geluid maakt’, wegens de langgerekte tonen, zie verder → giek 2.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

giechelen* [halfgesmoord lachen] {1573} oudhoogduits gichazzan [giechelen], engels to giggle [giechelen], middelnederlands gigen [hikken of niezen]. Van dit als klanknabootsend gevoelde woord bestaan ettelijke varianten; de oorsprong ligt echter in de stam van geeuwen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

giechelen ww., met bijvormen als gichelen, giggelen, sedert Kiliaen: ghichelen, ghichen, toch reeds een oud woord blijkens ohd. giccazan (nhd. gicksen) ‘giechelen’, mhd. gickeln ‘spotten’, nhd. dial. nnd. gicheln, giggeln, ne. giggle ‘giechelen, spottend lachen’, verder ook mnl. ghighen ‘hikken’, gijgen ‘hijgen’, soms ‘giechelen’. Een der afleidingen van de wortel idg. *ĝhei waarvoor zie: geeuwen.

Als typisch affectief woord vertoont het verschillende klinkervariaties, zoals goechelen en guichelen ‘schertsen’; vgl. ook nnoorw. gugga, nzw. dial. guggla; verder ook gaggelen. Maar ook de cons. kunnen wisselen, bijv. in nnl. dial. giebelen en guifelen (zie J. de Vries PBB 80, 1958, 4).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

giechelen, gichelen, giegelen ww., sedert Kil.: “ghichelen, ghichen. Cachinnari”. Vgl. ohd. giccazan (nhd. gicksen) “giechelen”, mhd. gickeln “spotten”, dial. nhd. nnd. gîcheln, giggeln, eng. to giggle “giechelen, stilletjes en spottend lachen”, vooral ook mnl. ghîghen “hikken” of “niezen”, nnl. (zuidndl.) gijgen “hijgen”, soms ook “giechelen”. Dial. (in Nederland in limb. diall.) ook kichelen. Een onomatopoëtische woordgroep evenals die van gaggelen en van kakelen. Bij gī̆g- en gag- sluit zich het geredupliceerde nnl. giegagen, vooral van ezels gebruikt, aan, vgl. mhd. gigâ “gesnater van de gans”, du. dial. gigagen “snateren”. Dial. vormen als giebələ (Bommelerwaard; dgl. vormen ook in de saks. diall. en in ’t Oostfri.), gûgəln, guχəln (saks. dial., resp. Kampen), guifelen (Zaan) “giechelen”, oudnnl. en dial. guichelen “schertsen” bevestigen nog ’t onomatopoëtische karakter van deze heele woordfamilie. Zie goochelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gichelen, giegelen ono.w. , met gaggelen, onomat. van het lachen + Hgd. gicheln gicksen, gacksen, Eng. to giggle.

giegelen ono.w. , z. giechelen.

giggelen ono.w., : z. giechelen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

giggel ww.
Met 'n hoë, gesmoorde geluid lag, senuweeagtig lag.
Uit Ndl. giggelen, 'n wisselvorm van gichelen (1660). Ndl. gichelen is klanknabootsend gevorm en hou verband met die stam van geeuwen 'gaap'.
Eng. giggle (1509).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

giechelen* halfgesmoord lachen 1573 [Plantijn]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut