Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gezwind - (snel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gezwind bn. ‘snel’
Vnnl. gheswindt ‘behendig, snel’ [1562; Kil.], schickt u te gelt gheswint ‘regel snel uw geldzaken’ [1617; WNT toe I].
Ontleend aan Duits geschwind ‘snel’, met versterkend voorvoegsel → ge- (sub g) gevormd bij een oud bn. met de betekenis ‘krachtig etc.’. De oorspr. betekenis lijkt dus ‘sterk, krachtig’ geweest te zijn.
Met voorvoegsel alleen: mnd. geswint, geswinde ‘sterk’; mhd. geswinde ‘snel, overhaastig, onstuimig, dapper’ (nhd. geschwind alleen nog ‘snel’). Zonder voorvoegsel is het woord algemeen Germaans: os. swīð(i) ‘krachtig, behendig’; ohd. swind in eigennamen (mhd. swinde, swint ‘sterk, behendig, snel; gevaarlijk, kwaad’); ofri. swīthe ‘heftig, zeer’ (nfri. swiid ‘zeer’); oe. swīþ (bn.) ‘sterk’, swīðe ‘krachtig, snel’ (ne. vero. swith ‘snel’); on. svinnr ‘snel, behendig, dapper’; got. swinþs ‘sterk’; < pgm. *swinda-. Ablautend hiernaast pgm. *sunda-, waarvan nl. gezond.
Ook in het Nederlands zijn sporen van het simplex te vinden, zij het niet in de standaardtaal: onl. in eigennamen, bijv. die in het toponiem Suithardeshaghe (onbekende ligging in Holland) [889; Künzel], suitho /swīþo/ ‘zeer’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. swide ‘sterk’ [1328-50; Rijmkroniek]; nnl. dial. swiet ‘vlug; zeer; voorspoedig; etc.’ (o.a. Gronings, Drents, Gelders-Overijssels, Zaanlands), zwiej (Veluws), zie Weijnen 1998. De uitval van n voor þ is kenmerkend voor het Noordzee-Germaans.
De verdere etymologie is bij gebrek aan zekere verwanten onbekend. Het dichtstbij staat misschien de woordgroep van → gezond, bij pgm. *sunda-, als dat inderdaad ablautend met pgm. *swinda- verbonden kan worden.
Lit.: A.A. Weijnen (1998), ‘Etymologische pogingen bij het verklaren van enige dialectwoorden’, in: Trefwoord 13, 178-182

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gezwind* [rap] {gheswind 1599} van ge- + middelnederlands swinde, zwinde [sterk, heftig], oudsaksisch swīth(i) [sterk], middelhoogduits geswinde [koen, snel], oudfries swīthe [hevig, zeer], oudengels swīð [sterk, heftig], oudnoors svinnr [onstuimig], gotisch swinþs [krachtig] → gezond.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gezwind bnw., mnl. gheswint, os. swīth, swīthi ‘sterk’, mhd. swint, swinde ‘sterk, geweldig, hevig, verstandig, bedriegelijk’, geswinde ‘dapper, onstuimig, snel’, ofri. swīthe bijw. ‘hevig, zeer’, oe. swīð ‘sterk, heftig’, on. svinnr ‘snel, verstandig’, got. swinþs ‘krachtig, gezond’.

IEW 1048 noemt alleen nog gezond, maar ziet van verdere verbindingen af. Specht, Idg. Dekl. 128 vergelijkt het met lit. svēikas ‘gezond’ en beschouwt het woord als een i-afl. van de wt. *su. De n-stam van *swinþa vergelijkt hij met av. spǝn-ta ‘sterk’, lit. šveñtas, osl. svętǔ ‘heilig’. — Opmerkelijk is de onfrank. vorm swītho bijw. ‘zeer’, Vgl. daarvoor mnl. swīde ‘zeer’ en in westnl. dialecten, bijv. zaans swiet ‘buitengewoon, voordelig’. Hier zullen wij dus van oude zogen. ‘inguaeoonse’ vormen moeten uitgaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gezwind bnw., mnl. gheswint(d) (blijkens gheswinde v. “snelheid”). Alg.-germ.: mhd. swint, swinde “sterk, geweldig, hevig, verstandig, listig, bedrieglijk”, ohd. in eigennamen als Adalswind, mhd. geswinde “koen, onstuimig, snel” (nhd. geschwind), os. swîth, swîthi “sterk”, ofri. swîthe bijw. “hevig, zeer”, ags. swîð “sterk, heftig”, on. svinnr “onstuimig, verstandig”, got. swinþs “krachtig, gezond”; onfr. swîtho bijw. “nimis” is een saxonisme. Wsch. zijn gezond en ier. sêtar “potestne?” (*swent-), fêta “machtig” verwant. De verdere combinatie met obg. svętŭ, lit. szveñtas, av. spənta- “heilig” is mogelijk (vgl. gr. hierós “heilig” en “krachtig”; ook als twee verschill. woorden beschouwd), maar onzeker.

[Aanvullingen en Verbeteringen] gezwind. Niet hierbij obg. svetŭ, lit. szveñtas, av. spǝnta-: ze hebben idg. .

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gezwind. Obg. svętŭ, lit. šven͂tas, av. spənta- ‘heilig’ zijn niet verwant: vgl. v.Wijk Aanv.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gezwind bijv., Mnl. gheswint + Mhd. geswinde (Nhd. geschwind): met ge van *zwind, Os. swîth + Ags. swíđ, On. swinnr, Go. swinþs = sterk, geweldig; kan verwant zijn met gezond, niet echter met verzwinden (z.d.w.).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gezwind, ’t grondwoord beduidt oorspr.: sterk, krachtig (Got. swinths), later: rap, vlug.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gezwind ‘snel, rap’ -> Deens † gesvindt ‘snel, rap’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors gesvint ‘snel, rap’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds geschwint ‘snel, rap’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gezwind* rap 1599 [Kil.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut