Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gezin - (ouders met hun kinderen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gezin zn. ‘ouders met hun kinderen’
Mnl. eerst in de vorm ghesinde ‘reisgezelschap, gevolg, hofhouding; groep bijeenhorende mensen’, in hi quam met sinen gesinde ‘hij arriveerde met zijn reisgezelschap (gevolg)’ [1276-1300; CG II, Lut.A], dat hoge gesinde met allen seleghen ‘het hemelse gezelschap met alle zaligen’ [1276-1300; CG II, Kerst.], die coninc ende siin ghesinde ‘de koning en zijn hofhouding’ [1340-60; MNW-R]. Dan ook ‘ouders en kinderen’ in haer sone ware doot ende sijn ghesinde ‘haar zoon en zijn gezin waren dood’ [1300-25; MNW-R], moeder des ghezints, vader des ghezints [1348; MNW]; ook vnnl. nog wel ghesinde ‘gezin’ in de Deux-aesbijbel (1562) en bij Kiliaan (1599). Al vroeg ontstaat daarnaast de vorm mnl. ghesinne in son mag hire met sinen gesinne nit in bliuen ‘dan mag hij er met zijn gevolg niet in blijven’ [1290-1310; MNW-P], van Davids huse ende ghesinne ‘uit het geslacht van David’ [1399; MNW-P]; hieruit vnnl. en nnl. gezin.
Met assimilatie nd > nn, gevolgd door wegval van de eind-e, ontstaan uit mnl. ghesinde. Dat woord is in de Germaanse talen een afleiding bij een woord voor ‘(reis)genoot’; deze ‘reisgenoot’ was in het Middelnederlands homoniem met de afleiding ‘reisgezelschap’ en is alleen geattesteerd in de samenstelling huusghesinde ‘reisgenoot, huisgenoot’ [1321; MNW]. Ghesinde ‘reisgenoot’ is gevormd met het voorvoegsel → ge- (sub c, in dezelfde functie als bij → genoot en → gezel) van een wortel die ‘weg, reis, tocht’ betekent, een ghesinde was dus ‘iemand die dezelfde weg gaat’.
Os. gisīði (mnd. gesinde, gesinne uit mhd.); ohd. gisindi (nhd. Gesinde ‘huis- of boerderijpersoneel’); oe. gesīþ; < pgm. *ga-sinþ-ja- (o.) ‘(reis)gezelschap’, een afleiding van pgm. *ga-sinþ-a- (m.) ‘reisgenoot’, waaruit os. gisīth; ohd. gisind (mhd. gesint); ofri. (met wegval van ge-) sīth ‘metgezel; mederechter’; oe. gesīþ. Daarnaast het synoniem pgm. *ga-sinþ-an- (m.), waaruit mnl. (huus)ghesinde (m.); ohd. gisindo (mhd. gesinde); oe. gesīþa; on. sinni; got. gasinþa. Het grondwoord is pgm. *sinþa-, waaruit os. sīð; ohd. sind (mhd. sint); oe. sīþ; on. sinn; got. sinþs; alle met betekenissen als ‘weg, tocht, reis; lot; keer, maal’, zie verder → zenden.
De oorspr. betekenis ‘reisgezelschap’ had betrekking op het gezelschap dat hooggeplaatste personen begeleidde; hieruit ontstond, zonder gedachte aan een reis, de betekenis ‘hofhouding’. Ten slotte werd het begrip algemener en was het ook te gebruiken voor de verzameling personen die tot de huishouding van een minder hoog geplaatste persoon behoorden. Tot in de 20e eeuw kon dat nog inhouden: ‘inwonende familieleden en dienstboden e.d.’; met het ongebruikelijk worden van huispersoneel vernauwde gezin zich tot de huidige betekenis, die uitsluitend betrekking heeft op (inwonenende) familieleden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gezin* [echtpaar met hun kinderen] {gesinne [reisgezelschap, gevolg, hovelingen, bedienden, iemands omgeving] 1350-1420 de huidige betekenis 1586} collectief naast middelnederlands gesinde, gesinne [reisgezel, huisgenoot], oudsaksisch gisīthi resp. gisīth, oudhoogduits gisindo resp. gisind; van woorden voor weg, reis: oudsaksisch sīth, oudhoogduits sind, gotisch sinþs; buiten het germ. welsh hynt [weg], oudiers sét [weg], tochaars A ṣont [weg].

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gezin

Het woord gezin is bezig te verouderen. Veelal bezigt men, evenals de Duitsers, de Engelsen en de Fransen het woord familie, family, familie, ontleend aan het Latijnse familia, dat verwant is met famulus: bediende. Dit is op merkwaardige wijze in overeenstemming met het woord gezin. Men behoeft er slechts aan te denken dat het Duitse Gesinde betekent: het dienstpersoneel. Wij hebben te maken met woorden die afstammen van zenden in de zin van: doen reizen. Het Middelnederlandse ghesinde beduidde dan ook: reisgezelschap, hofhouding, gevolg, eigenlijk: allen die de heer op een krijgstocht begeleidden. Huusghesinde wilde in ’t Middelnederlands zeggen: zij die als bedienden met iemand samenwonen, dus de gezamenlijke onderhorigen die niet tot de familie behoren. Nu is het woord juist beperkt tot man, vrouw en kinderen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gezin znw. o., mnl. ghesinde, ghesinne o. ‘reisgezelschap, gevolg, hofhouding, omgeving’, os. gisīthi ‘gevolg op reis, bedienden, volk, menigte’, ohd. gisindi gevolg op reis’, oe. gesīðð o. ‘gezelschap, het medegaan’. Collectieve formatie bij ohd. gisint, os. gisīth, ofri. sīth, oe. gesīð m. ‘reismakker, gezel, genoot’ en de n-stam mnl. ghesinde, ohd. gisindo, on. sinni, got. gasinþja, gasinþa m. Dit zijn afleidingen van ohd. sind, os. sīth, oe. sīð, on. sinn o., got. sinþs m. van een germ. *sinþa- ‘weg, reis’. — Daaraan beantwoorden geheel oi. sēt (< *sent) ‘weg’, kymr. hynt ‘weg, straat’ en verder av. hant- ‘aankomen’ (IEW 908).

Weliswaar kan men uitgaan van een betekenis ‘reisgenoot’, maar dan is te bedenken, dat het hierbij gaat om de leden van het gevolg, die de heer op een krijgstocht begeleiden; waaruit zich dan ook het gevolg op reizen van andere aard ontwikkelde. Evenals gezel ging dan het woord het gevolg in het algemeen aanduiden (ook zonder bijgedachte aan een reis) vandaar ‘zij die als bedienden met iemand samenwonen’ (vgl. mnl. huusghesinde) en dan, nadat het personeel niet meer met de boer samenwoonde, vernauwd tot ‘vrouw en kinderen’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gezin znw. o., mnl. ghesinde (ghesinne) o. “reisgezelschap, gevolg, hofhouding, omgeving”. = ohd. gisindi o. “(gewapend) gevolg op reis” (nhd. gesinde), os. gisîthi o. “id., bedienden, volk, menigte”, ags. gesîðð o. “gezelschap, het medegaan”. Collectivum bij ohd. gisint (nhd. gesind), os. gisîth, ofri. sîth, ags. gesîð m. “reismakker, gezel, genoot”, waarnaast de n-stam got. gasinþja, gasinþa, on. sinni, mnl. ghesinde (vooral in huusghesinde), ohd. gisindo m. “id.”. De oudste bet. is “reisgenoot”, want ’t woord is afgeleid van ohd. sind, os. sîth, ags. sîð m., on. sinn o, got. sinþs m., germ. *sinþa- “weg, reis (keer, maal)” = ier. sêt “weg”. Verwant is av. hant- “komen tot”, misschien ook arm. əntʿ anam. “ik ga, reis”, əntʿac̟ “weg, gang”. Vgl. verder vooral zin en zenden en voor de formatie gezel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gezin o., uit Mnl. ghesinne, ghesinde, Os. gisîthi + Ohd. gisindi (Mhd. en Nhd. gesinde), Ags. gesíd: collect. van Os. gisîth, Ohd. gisind, Ags. gisíđ, Ofri. síth, On. sinni, Go. gasinþa = reisgenoot, samenst. met Os. sîth, Ohd. sind, Ags. síđ, Go. sinþs = reis, weg + Oier. sét = weg; nevens dit zelfst.nw. sinþs moet een st. werkw. *sinþan = reizen, bestaan hebben, waarvan zenden het factitief is (z. ook zin) + Lat. sentire (Fr. sentir) = zich richten naar, voelen.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gezin (Mnl. ghesinde), staat voor: gezinde, van ’t Oud-germ. sintha = weg, reis. In ’t Got. was gasintha = medereiziger, reisgenoot. Gezin was dus een collectief voor reisgenooten. Oorspr. zag het woord dan ook op het gevolg van een vorst: „de vier Heeren met hun gezinde’; later ook op de bedienden van een vorstelijk persoon: „Isaäc had een groot gesinde”, en Hooft: „Het gesin (het dienstpersoneel) was oock naer de kermis getrocken”, en eindelijk bet. het: familie, huisgezin. Zie ook ’t volgende woord.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gezin ‘echtpaar met hun kinderen’ -> Fries gesin ‘echtpaar met hun kinderen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gezin* echtpaar met hun kinderen 1586 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut