Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gezicht - (gelaat; uitzicht; aanzicht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gezicht zn. ‘gelaat; uitzicht; aanzicht’
Onl. gesifti (hypercorrecte vorm voor gesihti) ‘visioen, droomgezicht’ [10e eeuw; W.Ps.], an menniskon gesihte ‘in het aangezicht van de mens’ [ca. 1100; Will.]; mnl. ghesicht(e) ‘gelaat; blikveld; aangezicht’, in die quamen ende seiden dat si gesichte der ingle hadden ghesien ‘ze kwamen zeggen dat ze engelengezichten hadden gezien’ [1332; MNW-P], ic sach daer ... een dat rikelijxste gestichte, dat noit eer cam in mans gesichte ‘ik zag daar een van de prachtigste gebouwen, zoals nog nooit een mens heeft aanschouwd’ [1350-1400; MNW-R], want hi es: gesichte des vreden ‘want hij is het aangezicht van de vrede’ [1380-1400; MNW-P] (bij Jan van Ruusbroec); in de 15e eeuw ook al de meeste overige betekenissen, zoals ‘aanblik’, ‘het zien’ en ‘uiterlijk’.
Het woord komt in het Middelnederlands van de 13e eeuw niet voor en in dat van de 14e eeuw nauwelijks. De gewone woorden voor de diverse betekenissen zijn dan ansichte en anschijn (zie → aanzicht, → aanschijn). Mnl. ghesichte (altijd o.) zou gevormd kunnen zijn bij gezien, naar analogie van ansichte bij ansien. Veel waarschijnlijker is echter ontlening aan Middelnederduits gesichte ‘aanblik, uitzicht’ en/of Middelhoogduits gesicht(e) ‘het zien; aanblik; visioen; gelaat; uiterlijk’; de beide genoemde Oudnederlandse attestaties staan onder Duitse invloed. Het woord is in ieder geval een afleiding met → ge- van de stam van → zien.
Os. gisiht (mnd. gesichte); ohd. gisiht ‘gelaat, aanblik, uitzicht’ (mhd. gesicht(e) ‘het zien, gelaat, uiterlijk’; nhd. Gesicht alleen nog ‘gelaat’); oe. gesihþ, gesiht (ne. sight ‘het zien, aanblik’); < pgm. *ga-seh-ti- bij de stam van → zien < pgm. *sehan-.
Vanaf de 15e eeuw is het woord zeer frequent, net als in het Duits vooral in de betekenis ‘gelaat’. Het oudere synonieme aanzicht heeft uiteindelijk zijn meeste betekenissen verloren en hetzelfde geldt voor de concurrerende contaminatie aangezicht. De verschillen tussen gezicht in abstractere betekenissen en het nauw verwante → zicht zijn subtiel.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gezicht* [het zien, gelaat] {gesichte [het zien, gelaat] 1450} afgeleid van middelnederlands sichten [kijken], alleen intransitief, naast sien, dat zowel transitief als intransitief was (vgl. zien).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gezicht znw. o., mnl. ghesichte, ghesicht o., mnd. gesichte, mhd. gesichte, gesicht, ofri. onsecht. Dit onz. woord staat naast het oudere onfrank. gesift v. (d. i. gesiht), os. gisiht, ohd. gesiht, oe. gesihð v. (ne. sight), afl. van zien; voor de vorm zie ook: zicht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gezicht znw. o., mnl. ghesichte, ghesicht o. Evenals mhd. (md.) gesicht(e) o. (nhd. gesicht), mnd. gesichte o., ofri. onsecht o. opgekomen naast den ouderen i-stam onfr. gesift (= gesiht), ohd. mhd. gesiht, os. gisiht, ags. gesihð v. (eng. sight) “gezicht”, een afl. van zien. Vgl. zicht II.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gezicht o., Mnl. ghesicht(e), Os. gisiht + Ohd. gesiht (Mhd. gesiht, Nhd. gesicht): van den præsensstam van zien.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

geziech (zn.) gezicht; Aajdnederlands gesihti <901-1000>.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

gesig s.nw.
1. Vermoë om te kan sien. 2. Gelaat of aangesig. 3. Droombeeld of visioen. 4. Uitsig of ruimte wat 'n mens met die oog kan sien. 5. Handeling van te sien. 6. Uitdrukking wat iemand op 'n bepaalde tydstip het.
Uit Ndl. gezicht (al Mnl. in bet. 1, 2 en 3, 1631 in bet. 4, 1642 in bet. 5, ongeveer 1820 in bet. 6), 'n afleiding van Mnl. sichten 'kyk, sien'. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gezicht (het/zijn -- verliezen) (vert. van Mandarijn diu mianzi)

W. de Vreese (1899), Gallicismen in het Zuidnederlandsch, Gent

gezicht. - Op de volgende plaats wordt gezicht gebruikt in den zin van het zien. Dit is echter met het tegenwoordig taalgebruik in strijd; alleen nog in de vaste uitdrukking op het eerste gezicht is dit woord in die beteekenis gebruikelijk (zie het Wdb. d. Ndl. Taal 4, 2201). De fout is blijkbaar ontstaan door de gedachte aan fr. vue, dat in den zin van de daad van het zien zeer gebruikelijk is. || De neergelaten rolgordijnen hinderden hem ’t gezicht, BUYSSE in De Gids 1894, III, 1 (men zegge beletten hem te zien).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gezicht ‘het zien’ -> Fries gesicht ‘het zien’.

gezicht ‘gelaat’ -> Fries gesicht ‘gelaat’; Frans dialect guezite ‘gezicht, mond; persoon’; Javindo gesicht ‘gelaat’; Negerhollands gesicht, gesėg, gesė, gǝsė, gǝsi, gesigt ‘gelaat, aangezicht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gezicht* het zien 1100 [Willeram]

gezicht* gelaat 1619 [WNT]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

691. Op je gezicht!

Een der vele grappige bedreigingen of verzekeringen uit de volkstaal als ‘dat kunje denken!’ ‘dat kun je aan je hart voelen!’ ‘morgen brengen!’ ‘ja oele!’ Syn. van op je gat! in jouw kakhuis! een drol op je lippen!Ndl. Wdb. VII, 896. of op je oogen! (zie Camera Obscura, bl. 166; Nest. 133); op je kop!, ook op je kop getimmerd! (vgl. Nest. 60: Denkje dat ik daar dankje voor wilde zeggen? op hun kop getimmerd!; bl. 116: Op zijn kop getimmerd! Je zoo maar aan de dijk te zetten! Is hij belazerd!); op zijn kop geturfdTurven beteekent hier slaan; vgl. Harreb. III, 68: Hij turft er op, hij deelt klappen uit; fri. der op turvje. (dan heb je geen zolder noodig); 'n kink in je oogen! (Lev. B. 40); dial. op je reet (V. Schothorst, 190); pópnel! šysmachóchel (MaastrichtN. Taalgids XIV, 198.); tegen uwen neus! (Antw. Idiot. 854), op je achterlap, tegen uw broek (gescheten) of (aan) of (tegen) uw broek (Antw. Idiot. 300; Schuermans, 80; Teirl. 216; Rutten, 40), aan uw broek aan Waasch Idiot. 146); iets tegen zijn klooten krijgen, niet krijgen (Rutten, 116); tegen uw botten (gescheten) (Antw. Idiot. 285); länst ze gat deur; 't zal ze gat vouëre (Tuerlinckx, 204); enz.

950. Voor het hoofd geslagen staan,

d.w.z. beteuterd, verlegen, bedremmeld staan, voor den kop geloopen zijn (Rutten, 120 b). Vgl. Hooft, Ned. Hist. 128: Breederoode en de zynen, hoewel voor 't hooft geslaaghen met deeze weyghering, veerdigden een smeekschrift af; Huygens II, 99: Klaes Boer stond voor sijn hoofd geslagen als een Oss. In de 18de eeuw leest men deze zegswijze dikwijls bij Justus van Effen, Spect. III, 164; IV, 42: Wy stonden als voor 't hooft geslagen, en zelfs als van een donderslag getroffen; VIII, 162; XI, 204; V, 95: De algemeene kamerdienaar stond of hy voor de kop geslagen was. Vgl. ook Sewel, 341: Hy stond als voor 't hoofd geslagen, he stood thunder-strucket. Wij zeggen ook nog wel: het was alsof ik een klap (of een slag) in mijn gezicht (Spect. V, 188: voor de ooren) kreeg. Vgl. Waasch Idiot. 348 a: ik meende dat ik een klets in mijn wezen kreeg, het verwonderde mij zeer; in Antw. Idiot. 529: hij stond als van den hamer geslagen (vgl. fr. avoir un coup de marteau (onnoozel, getikt zijn). (Aanv.) Voor den kop geloopen zijn beteekent in Zuid-Limburg meer: gekrenkt zijn.

1337. Een gezicht van oude lappen,

d.w.z. een zuur, ontevreden, huilerig gezicht (Ndl. Wdb. IV, 2209; VIII, 1086); eig. een gezicht als 't ware samengevoegd uit oude lappen, zooals men in het Friesch zegt: in gesicht fen âlde lappen gearset (samengevoegd). Vgl. verder in Roermond: du hebst een gezicht wie abéplenske (Schuerm. Bijv. 4 b); Rechtb. III, 9: Sy laet de lippen hangen, ende siet oftse Besem-stocken te koop hadde; in den Gew. Weeuw. III, 11: Bek van ouwe lappen! Van Deyssel, Verz. Opst. IV, 77: Zijn snoet van oude lappen; Menschenw. 147: Is da' snuit van oue lappen al hier weest? In Groningen: 'n gezichte trekken as twei lood slechte tabak (Molema, 568); Breuls, 85: e gezieg zette wie e putsche vol duvele; in Antw.: e gezicht gelijk e sauspanneken, 'en elfurenlijk, den H. Octus (Antw. Idiot. 492).

1712. Een gezicht als een oorworm,

d.i. een gemelijk, ontevreden gezicht, als een wesp, als een poelsnip, als de deur van het rasphuis (fr. avoir l'air comme une porte de prison); ook: kijken, een gezicht hebben, zetten als een oorworm, als uitdrukking van gemelijkheid, van onvergenoegdheid. Zie Molema, 44 b: hij 's zoo vrundelk as 'n oorwurm, waarvoor o.a. in Friesland ook gezegd wordt: hy sjucht as in toerre (tor), as in ûle (= norsch); Bergsma, 22: (voel) kiken as 'n oortiek. Hoogstwaarschijnlijk heeft de afschuw, dien men vanouds van den oorworm had, aanleiding gegeven tot het ironisch gebruik in deze uitdrukkingen. Naar aanleiding van er uitzien als een oorworm is men dan ook gaan zeggen: een gezicht zetten als een oorwormNieuwe Taalgids III, 10.. Vgl. Brederoo, Kl. van de Koe, vs. 154: Sy is so vriendelijck as een arm vol Katten, of as een oor-wurm; Winschooten, 367: Hij siet soo vriendelijk, als een oorwurm: hij siet nors, en als een bul, die stooten wil; Het kind van weelde of de Haagsche Lichtmis, anno 1679, I. 31: Hy zag my zoo vriendelyk als een oorwurm aan; Paffenr. 75: Sy sietter so lieffelyk uyt als eenen oor-worm; zie verder het Ndl. Wdb. XI, 194; Sewel, 969; Halma, 453; Harreb. II, 483 a; Nest, 62; Landl. 220; Leersch. 21; enz.In het nd. beteekent er ist wie ein Ohrwürmchen, hij is zeer vriendelijk, gedienstig (Reuter, 117)..

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

sek-2 ‘bemerken, sehen; zeigen’, ursprüngl. ‘wittern, spüren’ und (jünger) ‘sagen’, identisch mit sek-1.

Gr. ἐνέπω, ἐννέπω (-νν- Ausdruck der metr. Dehnung) ‘sage an, erzähle’ (Imp. ἔννεπε, Impf. ἔννεπε, Fut. ἐνι-σπήσω (*sk-ē-), Aor. ἐνι-σπεῖν, Imp. ἐνί-σπες, ἔνι-σπες, 2. Pl. ἔσπετε aus *ἔν-σπετε), ἄσπετος ‘unsäglich; unsagbar groß, unendlich’, πρόσ-εψις· προσαγόρευσις Hes. (: lat. insectiō), θεσπέσιος ‘wunderbar, göttlich’ (ursprüngl. ‘von der Gottheit geoffenbart’), aus *-σπέ-τιος; θέσπις, θέσπιος ‘Seher, Weissager’ wohl Verkürzung aus θεσπέσιος; θεσπίζω ‘weissage’; ἀσπάζομαι ‘begrüße’ (ἀ- aus “ἐν”); ἀσπάσιος ‘willkommen, erwünscht, erfreut’ (*n̥-σπά-σιος);
lat. īnseque ‘sag an’ (= gr. ἔννεπε), auch īnsece, с verschleppt aus Formen wie: insectiōnēs ‘narrationes’, insexit ‘dixerit’; inquam, inquis, -it ‘sage ich, sagst du, sagt(e) er’ (inquam Konjunktivform *en-skām ‘möcht’ ich sagen’; inquit ursprgl. themat. Aorist *en-ske-t wie ἐνι-σπεῖν);
umbr. prusikurent ‘pronuntiaverint’, sukatu ‘declārātō, pronuntiātō’; k statt p nach Formen mit Entlabialisierung des *k vor s, t;
acymr. hepp, mcymr. heby(r), cymr. eb(e), ebr ‘sagte’, mcymr. hebu ‘sprechen’, go-hebu ‘antworten’, cymr. ‘entsprechen’, mcymr. gwrtheb ‘Antwort’, cymr. ‘Einwand’, corn. gorðeby ‘antworten’; mcymr. dihaereb ‘Sprichwort’ (*dē-ad-pro-sko-), air. ārosc ds. (*ad-pro-sko-); mir. rosc ‘dithyrambische Dichtung’ (*pro-sko-); air. in-coissig (*ind-com-sech- aus *sek-) ‘bezeichnet’, tāsc ‘Anzeige’ (*to-ad-sko-), ēcosc ‘Erscheinung’ (*en-kom-sko-); mcymr. atteb, ncymr. ateb ‘Antwort’ (*ati-sek-), air. aithesc n. ‘Antwort’ (*ati-sku̯-om), con-secha ‘züchtigt’, cosc ‘Strafe’ = cymr. cosp ds. (*kom-sko-m), air. diuschi ‘weckt’ (*di-uss-sechi), air. insce ‘Rede’ (*eni-sku̯-i̯ā), auch air. scēl n. ‘Erzählung’ (*sketlo-n, woraus entlehnt cymr. chwedl usw.); mir. scoth f. ‘Wort’;
ahd. sagen ‘sagen’ (*sokē-), daneben germ. *sagi̯ō < *saʒwi̯ō in as. seggian, mnl. segghen, ags. secgan (engl. say), aisl. segja ds., Abstraktum aisl. ahd. saga ‘Aussage, Erzählung’ (nhd. Sage), ags. sagu f. ds.;
lit. sekù, sèkti ‘narrare’ (= (ἐν)έπω, inseque), sekimas ‘das Erzählen’, sėkmė̃ f. ‘Erzählung, Sage’, sakaũ, sakýti ‘sagen’, pãsaka ‘Märchen’ usw.;
aksl. sočiti ‘anzeigen’, sokъ ‘Anzeiger, Ankläger’, poln. osoka ‘Anklage, Verleumdung’ usw.;
ältere Bedeutung sek- ‘sehen’ und ‘zeigen’ (s. bereits oben ir. in-coissig, tāsc, auch con-secha, cosc wie lat. animadvertere auch ‘rügen’) in: air. rosc m. ‘Auge, Blick’ (*pro-sko-);
got. saiƕan ‘sehen’, aisl. sjā aus sēa, ags. sēon, as. ahd. sehan, nhd. sehen; got. siuns ‘Gesicht, Sehkraft’, aisl. sȳn, sjōn f. ‘Sehen, Sehvermögen, Erscheinung’, ags. sīen, as. siun ‘Sehvermögen, Auge’ aus *se(g)wní; Adj. got. anasiuns, ags. gesīene, aisl. sȳnn ‘sichtbar, ersichtlich’, sȳnast ‘scheinen’ (= ‘sich zeigen’); ahd. (gi)siht ‘das Betrachten, Gesicht, Anblick’, ags. gesiht ds.;
daneben aus dehnstufigem *sē(g)wni-: ahd. selt-sāni, mhd. selt-sǣne ‘selten’ seltsam (aber ags. seldsīene ‘selten’ aus -*sa(g)wni-);
hitt. šakuu̯a- n. Pl. ‘Augen’, šakuu̯āi- ‘sehen’; toch. A šotre, В šotri ‘Zeichen’ (*sek-tr-).

WP. II 477 ff., WH. I 702 f., Trautmann 255, Pedersen Toch. 69.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal