Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gezellig - (aangenaam, genoeglijk, knus)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gezellig bn. ‘aangenaam, genoeglijk, knus’
Mnl. gesellich ‘omgaande met, vriendschappelijk’ in maer alse tkint quam te siere joghet, wart ghesellijch met keytiven ‘maar toen het kind in zijn jeugd kwam (= ouder werd), kwam het in aanraking met slechte personen’ [1300-25; MNW-R], ‘gemeenzaam, vertrouwd’ in aldus doch elke weke op dattu die ghedochten di maecste ghesellich ‘doe elke week zo, opdat je vertrouwd raakt met die gedachten’ [1400-50; MNW]; vnnl. ‘betreffende de omgang met anderen’ in dit gesellig leven ‘dit sociale leven’ [1625; WNT]; nnl. gezellig (van personen) ‘aangenaam in de omgang’ [1708; Sewel NE] en in hy was toen zo vrolyk, en tevens zo gezellig [1785; WNT], van zaken ‘aangenaam, genoeglijk, knus’: gezellig oord [1847; WNT], in gezelligen ... vriendenkout ‘in aangename vriendschappelijke gesprekken’ [1840; WNT], het zaaltje was gezellig [1866; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → -ig van → gezel ‘kameraad’. Hiernaast bestond een afleiding met het achtervoegsel → lijk: mnl. gesellec (bn.) ‘vriendschappelijk’, geselleke (bw.) ‘op vriendschappelijke wijze’ [1240; Bern.].
Mhd. gesellig (nhd. gesellig ‘sociaal’, ook wel ‘gezellig’).
Hoogduits gesellig heeft ongeveer dezelfde oorspr. betekenis en ontwikkeling als Nederlands gezellig, maar is minder algemeen: ein geselliger Abend ‘een gezellig avondje’ is mogelijk, maar meer met het Nederlands overeenkomend is ein gemütlicher Abend (zie → gemoedelijk).

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gezellig* [knus] {gesellich [gemeenzaam omgaand met, vertrouwd] 1201-1250} van middelnederlands gesellen [zich aansluiten bij, zich mengen onder], van gesel (vgl. gezel).

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gezellig bnw., komt sedert ’t Mhd. Mnd. Mnl. voor.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gesellig b.nw.
1. Gesteld op omgang met ander, geselserig. 2. Aangename, genoeglike geaardheid. 3. Wat geleentheid bied vir aangename, genoeglike omgang.
Uit Ndl. gezellig (Mnl. gesellich). Mnl. gesellich is 'n afleiding van Mnl. geselle 'makker, persoon, gesel' (sien 1gesel).
D. gesellig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gezellig ‘knus’ -> Fries gesellich ‘knus, aangenaam’; Papiaments gezellig ‘knus’.

N. van der Sijs (2006), Klein uitleenwoordenboek, Den Haag

gezellig. Het woord gezellig geldt als een typisch Nederlands woord, en volgens sommigen is het woord onvertaalbaar. Dit is onjuist: andere talen hebben kennelijk een geschikt equivalent voor dit woord, want ze hebben het Nederlandse woord niet overgenomen. (Mensen die nu opmerken dat het feit dat het woord gezellig niet is geleend door andere talen, geen bewijs is voor een equivalent van dit woord in andere talen maar voor het feit dat bij de sprekers van die talen het begrip 'gezellig' onbekend is, moeten Uren met Henk Broekhuis van Karel van het Reve maar eens herlezen: hierin wordt definitief afgerekend met de misvatting dat uit het al of niet voorkomen van een woord in een taal kan worden geconcludeerd tot het al of niet voorkomen van het door dat woord aangeduide ding bij de sprekers van die taal.) Maar terug naar het woord gezellig. Als gezegd is dit niet overgenomen door andere talen, met één uitzondering: het Papiaments. Een informant merkt op: 'Het is mooi om naar bijvoorbeeld een verhitte radiodiscussie te luisteren in rap Papiaments waarbij je dan ineens hoort: e ta hopi gezellig i leuk (het is erg gezellig en leuk).' Ook gezelligheid heeft het Papiaments overgenomen.

Een andere informant vertelt over een meer incidentele ontlening:

Leden van de Wachenheimer Weinfreunde in Wachenheim an der Weinstrasse, Rheinland-Pfalz, hebben het woord geleerd tijdens verschillende uitwisselingen met de Zevenaarse Wijnvrienden. In een gezellig samenzijn waarbij uiteraard wijn gedronken wordt en de plaatselijke specialiteiten worden gegeten, nemen de Duitsers regelmatig het woord gezellig in de mond. Ze hebben moeite met de /g/ maar verder klinkt het heel Nederlands, ook de /i/. Ze weten dat gemütlich niet hetzelfde is als gezellig.

Ander incidenteel gebruik van het woord gezellig is vooral te vinden bij reisorganisaties, die met dit woord kennelijk de couleur locale willen aangeven; zo kan men in het Duits lezen: 'Die Einrichtung eines Zimmers ist "gezellig"', in het Frans wordt een restaurant aanbevolen met 'L'ambiance y est gezellig', en in het Engels is sprake van een nieuw soort service: 'Gezellig, A Different Kind of Service [...] No, gezellig is not a city anywhere. It is a state of mind and a way of describing an atmosphere that the Dutch create without thinking about it.'

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gezellig* knus 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut