Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gezang - (het zingen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

zang zn. ‘het zingen’
Onl. sang ‘het zingen’ in Louon sal ic namo godis mit sange ‘ik zal de naam van God loven met zang’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. sanc ‘het zingen, kerkgezang, lied e.d.’ [1240; Bern.], der uoghelen sanc ‘het zingen van de vogels’ [1287; VMNW], zang [15e eeuw; MNW-P].
Ablautende vorm bij de wortel van het sterke werkwoord → zingen.
Os. sang (mnd. sank); ohd. sanc (nhd. Sang); ofri. song (nfri. sang); oe. song (ne. song); on. söngr (nzw. sång); got. sangws; < pgm. *sangwa-.
gezang zn. ‘zang; kerkelijk lied’. Mnl. ghesanc ‘het zingen, zang’ in Daer was ... Groot ghesanc ende menege tale ‘daar werd veel gezongen en gesproken’ [1300-25; MNW-R]. Ablautende afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub b) van de wortel van het werkwoord → zingen. In het Middelnederlands een weinig frequent en vooral oostelijk synoniem voor zang. In het Nieuwnederlands werd het woord gebruikelijk, enerzijds in de specifieke betekenis ‘kerkelijk lied in de protestants-christelijke kerken’, die met de reformatie rechtstreeks is overgenomen uit het Duits, anderzijds in de algemene betekenis die zang had. (De) zang en (het) gezang zijn in sommige gevallen nog steeds uitwisselbaar, bijv. in vogels herkennen aan hun (ge)zang. De betekenis ‘het zingen als kunstvorm’ is specifiek voorbehouden aan zang, bijv. in zang en dans, meerstemmige zang. Zang- komt voorts voor als eerste lid in samenstellingen, bijv. zangles, zangwedstrijd, zangvogel.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gezang o., eigenlijk het samenzingen, saamgest. met ge- en zang.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gesang s.nw.
1. Lied, gewoonlik geestelik van aard, wat by godsdiensbeoefening gesing word. 2. Geluid van iets of iemand wat sing.
Uit Ndl. gezang (eerste optekening in Die Bybel, waarna ongeveer 1635 in bet. 1 en 1860 in bet. 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Gesang. Vanuit vroeë Afr. in S.A.Eng. (1810 in bet. 1).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gezang ‘hymne’ -> Zuid-Afrikaans-Engels gesang ‘hymne’ .

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut