Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gezamenlijk - (verenigd)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gezamenlijk bn. ‘verenigd’
Mnl. ghesamelike ‘met elkaar’ in ons gesameliken tbescheden ‘ons met elkaar te verzoenen’ [1318; MNW overeendragen]; vnnl. ghesaementlick, ghesaemtelick ‘samen, met elkaar’ [1599; Kil.], ende vele ... liepen gesamelick te voete van alle steden derwaerts [1637; Statenbijbel], ‘verenigd’ in wij, gesaementlicke Generaels van der Munte [1606; WNT wissel I].
Daarnaast in dezelfde betekenis mnl. samelike in hoore erven, vanhoorre beider lijven semelich comende ‘hun erfgenamen, allen uit hen beiden voortgekomen (ofwel: hun gezamenlijke nakomelingen)’ [1409; MNW] en ghesament ‘verenigd, bijeengebracht’ in ghesamender hant ‘gezamenlijk’ [1278; CG I, 405].
Afleiding van mnl. samen (bw.) ‘gezamenlijk, verenigd’ (waaruit vnnl. zamen maar door assimilatie in de uiterst frequente combinatie te samen > tsamen toch weer nnl.samen). De details van de afleiding zijn onduidelijk: afleiding met → lijk van een bn. *ghesamen is niet wrsch., aangezien zo'n bn. in het Middelnederlands niet gevonden is; ook afleiding met het collectiefvoorvoegsel → ge- (bijv. sub c, d, eventueel g) van samelike is niet aannemelijk, omdat afleidingen met ge- van bijwoorden verder niet voorkomen. Van het Middelnederlandse bn. ghesament, het verl.deelw. van samenen ‘bijeenbrengen’, kan evenwel met -like (zie → -lijk) op regelmatige wijze het bijwoord ghesamentlike gevormd worden, een vorm die als vnnl. gezamentlyk (en spellingvarianten) inderdaad talrijk is. De attestatie van ghesamelike in 1318 staat in vorm en tijd volledig geïsoleerd en is wrsch. niets anders dan het gevolg van assimilatie ntl > l. In het latere gezamenlijk moet hetzelfde zijn gebeurd; de spelling met -z- reflecteert het verband met vnnl. zamen.
Op gelijksoortige wijze zijn gevormd: mnd. sametliken; mhd. samentliche (nhd. sämtlich). De Hoogduitse vorm kan van invloed geweest zijn op de vnnl. nevenvormen met -saemde-, -saemte-.
De gewone term voor ‘verenigd, met elkaar (twee of meer)’ was mnl. te samen, nu samen. Ook gezamenlijk was oorspr. alleen een bijwoord en onderscheidde zich door de nadruk op meertalligheid (meer dan twee); in tegenstelling tot samen wordt gezamenlijk later ook bijvoeglijk gebruikt.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gezamenlijk* [samen] {gesamenlike (bijw.) 1286-1343} middelnederduits sametliken, middelhoogduits samentliche (hoogduits sämtlich); afgeleid van zamelen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gezamenlijk bnw., mnl. ghesameliken (bijw.), mnd. sametliken, mhd. samentliche (nhd. samtlich). — Afl. van zamelen.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gezamenlijk bnw., als bijw. ouder: mnl. ghesāmeliken bijw. Vgl. mnd. sāmeliken “gezamenlijk”. Zie bij zamelen. Mnd. ook sāmetliken, mhd. samentliche (nhd. samtlich).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gezamenlijk* samen 1286-1343 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut