Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geweldig - (bijzonder goed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geweldig bn. ‘bijzonder goed’
Onl. geuueldig (met genitief) ‘machtig (over)’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gheweldech ‘machtig; krachtig, sterk’, zoals nv dankic v geweldech vader ‘nu dank ik u, machtige Vader’ [1265-70; CG II, Lut.K], ende meest van symoens side waren gheweldech ten stride ‘en de meesten van Simons partij waren krachtig in de strijd’ [1285; CG II, Rijmb.], geweldeg ‘gewelddadig, agressief (Latijn violentus)’ [1240; Bern.]; vnnl. gheweldigh ‘gewelddadig, onstuimig’ [1599; Kil.], algemener ‘groot, sterk, gewichtig, groots’, zoals in geweldige beloften [ca. 1635; WNT], geweldige droefheit [1646; WNT]; nnl. ‘bijzonder goed’ in zullen wij [hen] verbaasd doen staan over onze geweldige techniek? [1913; WNT Supp. aviatiek].
Afleiding met → -ig van → geweld.
Verwant met: os. giweldig (mnd. (ge)waldich, -weldich); ohd. giweltīg, giwaltīg (nhd. gewaltig); ofri. weldech (nfri. geweldich < nnl.).
In het Nederlands zijn alle oude betekenissen verdwenen. Alleen de algemene betekenis ‘zeer groot(s), belangrijk etc.’ heeft zich gehandhaafd, vanaf de 20e eeuw vooral in een positieve context en dus naar ‘bijzonder goed’ neigend: een verbinding als geweldige droefheid (zie boven) is ongewoon geworden, en een geweldig onweer kan zelfs impliceren dat men ervan geniet. Als bijwoord is geweldig gereduceerd tot een aanduiding van hoge graad, dus met betekenis ‘zeer, uiterst’: combinaties als geweldig groot liggen voor de hand en zijn al Vroegnieuwnederlands, maar in de 17e eeuw vindt men ook al bijv. gheweldich cout [1598; WNT volharden], die isser gheweldich op ghetrynneert ‘die is er goed op getraind’ [1612; WNT Aanv. getraineerd II], dat geweldig afstak (de ene kleur bij een andere) [ca. 1670; WNT Supp. afsteken], geweldig zorgeloos [1687; WNT Supp. alleen I], geweldig in swang ‘zeer in zwang (populair)’ [1698; WNT zwang]. Duits gewaltig heeft als bijwoord dezelfde veralgemening ondergaan.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geweldig. Een reeds mnl. onfr. ohd. os. ofri. bnw.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

gewel’dig bn., indrukwekkend. Toch voel ik het zo aan, dat de geweldige mensen, die geweldige dingen zeggen, die wij niet begrijpen, het opzettelijk zo doen (Defares 35). Hij had drie honden. Sabianpe was de geweldigste (Hijlaard 12). - Etym.: In AN wel gebr., maar veel minder alg. en in veel minder combinaties. - Zie ook: gevaarlijk*, kwaadaardig*.
— : geweldig spelen (speelde, heeft gespeeld), groot doen, opscheppen. Die jongen van hiernaast is faja*! - Volgens mij niet, ik denk dat hij alleen maar geweldig wil spelen. - Etym.: S pré k’falek (pré = spelen; k’falek = gevaarlijk). Zie ook spelen* (lil).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geweldig, † weldig ‘buitengewoon’ -> Deens gevaldig, vældig ‘buitengewoon, enorm’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors veldig ‘heel groot, buitengewoon, zeer, erg’ (uit Nederlands of Nederduits); Zweeds väldig ‘buitengewoon, enorm’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh haweldih ‘buitengewoon’; Javindo geweldeg ‘buitengewoon’.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal