Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geweld - (hevigheid, onstuimigheid; misbruik van macht)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geweld zn. ‘hevigheid, onstuimigheid; misbruik van macht’
Onl. geuualt (verbogen vorm geuuelde, geuueldi) ‘macht’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. ghewout, ghewelt ‘macht; kracht; onrechtmatig gebruik van macht’ [gewalt 1240; Bern.], zoals in al sin goed moet bliuen in scrauen gewelt ‘heel zijn bezit zal onder de zeggenschap van de graaf blijven’ [1237; CG I, 33], bi onser koninghleker gheweld ende onser graueleker gheweld ‘bij onze koninklijke en grafelijke macht’ [1254; CG I, 59], got ... die alle dinc heft in gewelde ‘God, die alles in zijn macht heeft’ [1265-70; CG II, Lut.K], .i. worem die met ghewout dat hout dorgaet al in een ‘een worm die met kracht in een keer door het hout gaat’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], .i. cruut van grooter ghewelt ‘een kruid met krachtige werking’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], dat hi hare wilde doen ghewelt ‘dat hij haar wilde verkrachten’ [1285; CG II, Rijmb.].
Algemeen West-Germaanse afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub b) van het werkwoord dat tot onl. uualdan [10e eeuw; W.Ps.], mnl. walden, wouden ‘heersen’ heeft geleid. Het woord onderging in het Nederlands in de niet-verbogen naamvallen de normale overgang ald > old > oud, zoals in → koud, vandaar de vorm mnl. ghewout. De verbogen naamvallen van deze i-stam ondergingen daarentegen umlaut en leidden tot mnl. ghewelde. De vormen met -eld- zijn door analogie in alle naamvallen terechtgekomen; de vorm met -oud/t- is nog herkenbaar in bijv. de eigennaam Wouter (naast Wolter) < *wald-her ‘legeraanvoerder’.
Os. giwald (mnd. gewelde, gewalt); ohd. giwalt (nhd. Gewalt); ofri. wald, weld (nfri. vero. wâld); oe. (ge)weald; on. vald (nzw. våld); alle met dezelfde oorspr. betekenis ‘macht, heerschappij’; < pgm. *(ga-)wald-.
Het genoemde werkwoord onl. uualdan (mnl. wouden) is verwant met: os. waldan (mnd. walden); ohd. waltan (nhd. walten ‘heersen (figuurlijk), werkzaam zijn’, verwalten ‘beheren, besturen’); ofri. walda (nfri. vero. wâldzje ‘heersen, beschermen’); oe. wealdan (ne. wield ‘(macht) uitoefenen’); on. valda (nzw. vålla ‘veroorzaken, berokkenen’); got. waldan; < pgm. *waldan- ‘heersen, beheersen’.
Verwant met: Litouws valdyti ‘heersen’; Oudkerkslavisch vlasti ‘id.’ (Russisch vladét'); uit pie. *ulh2-dh- (IEW 1111), dat zonder dentaaluitbreiding terugkomt in: Latijn valēre ‘sterk zijn’ (zie ook → valentie); Oudiers faln-, foln- ‘heersen’, flaith ‘heerschappij’; Tochaars A/B wäl/walo ‘koning’.
De oorspr. betekenis van geweld ‘macht, souvereiniteit’ is in het Nieuwnederlands verouderd. De algemene betekenis ‘kracht’ (zie bijv. het citaat over het cruut) heeft zich met betrekking tot zaken vernauwd tot ‘zichtbare uiting van kracht, hevigheid, onstuimigheid’ (bijv. van water of een storm). Met betrekking tot personen is de betekenis ‘onrechtmatig of onwettig gebruik van kracht of macht’ gaan overheersen, steeds met de bijgedachte aan zichtbare onstuimigheid.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geweld* [uiting van macht, kracht] {oudnederlands geuualt 901-1000, middelnederlands gewelt naast gewout, gewalt [macht, geweld]} de vorm geweld heeft (uit de verbogen nv.) de umlaut naast de klankwettige 1e nv. gewout, oudsaksisch giwald, oudhoogduits giwalt, oudfries wald, weld, oudengels geweald, afgeleid van een ww. middelnederlands walden, wouden [iets beschikken, regelen], gotisch waldan [heersen], verwant met latijn valēre [sterk zijn].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geweld znw. o., mnl. ghewelt v. (o. m.) naast het klankwettige ghewout v. o. ‘macht, kracht, wil, geweld’, onfrank. gewalt, os. giwald, ohd. giwalt, ofri. wald, weld v., wald o., oe. geweald o. ‘macht, kracht’. Daarnaast mnl. ghewelde, mnd. gewelde, on. veldi < *gawalðia-. — Afl. van het ww. mnl. wouden, onfrank. waldan, os. waldan, ohd. waltan, ofri. walda, oe. wealdan, on. valda, got. waldan ‘beheersen, heersen’. — oiers flaith ‘heerschappij’, lit. valdau ‘heers’, naast veldù, osl. vlada (indien niet uit het germ. vgl. Stender-Petersen, Slav.-germ. Lehnw.-kunde 213); dit zijn dentaal-afl. van de idg. wt. *u̯al ‘sterk zijn’, waarvoor vgl. lat. valēre ‘sterk zijn’, iers follnaim ‘regeer’, toch. Β walo, A wäl ‘koning’ (IEW 1112).

De vorm geweld heeft umlaut naar de verbogen naamv., waarbij ook het bnw. gheweldich een rol kan hebben gespeeld.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geweld znw. o., mnl. ghewelt(d) v. (o. m.) met -el- naar de verbogen casus en ’t bnw. gheweldich (vgl. geduld) naast klankwettig ghewout(d) v. o. “macht, kracht, wil, geweld”. = onfr. gewalt(d) v., ohd. giwalt m. v. (nhd. gewalt v.), os. giwald, ofri. wald, weld v., waarnaast ofri. wald, ags. geweald o. “macht, kracht”, in sommige talen ook “geweld” e.a. bett. De bijvorm mnl. ghewelde o. is òf in ’t Ndl. ontstaan òf = mnd. gewelde, on. veldi o. < germ. *(ʒa-)walðia-. Bij het ww. mnl. wouden, onfr. waldan, ohd. waltan (nhd. walten), os. waldan, ofri. walda, ags. wealdan (waarnaast wieldan > eng. to wield), on. valda, got. waldan “beheerschen, heerschen”. De d is formantisch blijkens ’t on. praet. olla < *wulþôm en ier. flaith “heerschappij”, lat. valeo “ik ben sterk”, av. urvatat- ”gebiedend”. Obg. vladą, vlasti “heerschen”, lit. valdýti “besturen, regeeren” kunnen met germ. walð- op idg. wal-dh- teruggaan. Veeleer echter zijn ze ontleend uit ’t Germ.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geweld. Tegen ontl. van de balt. slav. woorden uit het Germ. pleiten ablautende vormen als lit. veldžiu (veldu), velděti ‘bezitten, in bezit nemen’, oudlit. pawildesklēronomēsei’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geweld o., Mnl. ghewelt, met e = ä uit de verbogen naamv. van Mnl. ghewout, Onfra. en Os. giwald + Ohd. giwalt (Mhd. en Nhd. gewalt), Ags. geweald: van een st. werkw. dat voorkomt in ’t Mnl. als wouden, Onfra. waldan, Ohd. waltan, Ags. wealdan, Ofri. walda, On. valda, Go. waldan = machtig zijn + Lat. valere = krachtig zijn, waard zijn, Oier. flaith = heerschappij, Osl. vlada = heerschen (van daar de namen Vladislas, Vladimir), Lit. veldu = regeeren, Lett. valdit = temmen.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

walt [+]: in verbg.: skalt en walt, v. skalt; walt hou blb. verb. m. Hd. (ge)walt, Ndl. (ge)weld, “heerskappy, mag”, Eng. wield en Lat. valēre, “sterk wees”, v. wel II.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Geweld snw. Segsw.: Met geweld kan jy ’n viool teen ’n eikeboom stukkend slaan. – N. T. XIII, 138 (Sprw. en sprw. Uitdr. voorn. uit Goeree en Overflakkee): Met geweld, ja, dan kun je wel een viool tegen een boom kapot slaan; Ter Laan 220: “Je kinṇ wel ṇ fioul teegṇ ṇ aikṇboom kepòt haauwgṇ met geweld kan men in tere zaken niets beginnen.” Die spreekwyse staan ook opgeteken by Harreb. I, 78: Men kan wel eene viool tegen een’ eikenboom in stukken slaan, en by Eckart 156: Met Gewalt kann man ’ne Viggeline an Eikbaume entwē slaên. W(estfalen).
Meer gewoon in Afrikaans is die segswyse: Met geweld kan jy jou duim in jou gat afdraai, waarby te vergelyk is Harreb. I, 7: Die zijnen duim in zijn’ aars wil breken, kwetst zich zelven (uit die 17de eeu) en Rutten 73: “Als het ongeluk mee wil, zou men zijnen vinger in zijn gat breken, kleine oorzaken kunnen erge gevolgen hebben.”

Thematische woordenboeken

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

geweld. Men kon vroeger ook zweren bi al diere ghewelt Die ic je van Gode helt ‘bij alle kracht die ik ooit van God kreeg’. Zweren bij alles wat van God afkomstig is, zien wij vanaf de vroege Middeleeuwen. Als men dat ijdel deed, werd de eedformule tot vloekformule.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geweld (Hgd. Gewalt) van den Germ. wt. wal: sterk zijn, heerscher zijn. Vgl. ’t Got. en Os.: waldan = besturen, evenals ’t Hgd. walten. Vgl. ook ons dialectisch gewoud = macht: ik heb geen gewoud meer in mijn arm; en Bredero: „Hij is in mijn ghewouwt”; ook onze voornaam: Wouter, Walter = machthebber, heerscher. Vgl. ’t Mnl.: „Gheweldich God.”

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geweld ‘uiting van macht of kracht’ -> Duits dialect Gewelt ‘onnodige opwinding, lawaai om niets’; Negerhollands geweld ‘uiting van macht of kracht’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geweld* uiting van macht of kracht 0901-1000 [WPs]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut