Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gewaad - (wijd en lang kledingstuk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gewaad zn. ‘wijd en lang kledingstuk’
Onl. *gewādi ‘kleed, kleding’, in het meervoud geuuede ‘gewaden, kledingstukken’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gewede ‘kleed, kleding’ [1240; Bern.], maar meestal vormen met -a-, zoals ghewade, in hi hinc naect sonder ghewaden ‘hij hing naakt zonder kleding’ [1285; CG II, Rijmb.], gewaet [ca. 1350; MNW], mit bloedighen ghewaed [ca. 1500; MNW].
Gevormd als collectief met het voor- en achtervoegsel ge-e, een oude variant van → ge-te, of bij het Oudnederlandse zn. wāt ‘kleed’ (in de verbogen vormen en meervoud wad-), waarvoor zie → wade. Onder invloed van het simplex waet algauw ook zonder -e.
Os. giwādi, giwēdi; ohd. giwāti; oe. gewǣde, alle ‘kleed, kleding’; < pgm. *ga-wēd-jo. Daarnaast zonder voor- en achtervoegsel: os. wād, wādi (meestal in samenstellingen) (mnd. wāt); ohd. wāt ‘id.’ (mhd. wāt, vnhd. wat); ofri. wēde ‘kleding; zeker waarde’, wēdi ‘zekere waarde’; oe. wǣd ‘kleed’, wǣde ‘kledingstuk’ (ne. weeds ‘rouwkleding’); on. váþ ‘net’ (nzw. vad ‘id.’); < pgm. *wēdi-.
Verdere etymologie onduidelijk. Niet verwant met Litouws ūdis ‘weefsel’, austi ‘weven’; < pie. *Heu-d-. Wrsch. ook niet met → weven < pie. *uebh-, waarin de bh bij de wortel hoort.
Het Oudnederlandse simplex wāt bestaat in het Nieuwnederlands alleen nog in de verouderde samenstelling lijnwaad ‘linnen’; onl. wādi bestaat nog in de samenstelling lijkwade. In het Middelnederlands bestond ook het synoniem ghewant, ghewand ‘doek, kleed; kleding; uitrusting’ [1282; VMNW], dat nog bestaat in de afleiding → ingewanden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gewaad* [kleding] {gewaet, gewade [kleding, ingewand] 1285} oudsaksisch giwadi, oudhoogduits giwati, oudengels gewæde, collectief van middelnederlands -waet in miswaet, lijnwaet, oudnederlands, oudhoogduits wāt, oudsaksisch wād, oudfries wēd(e), oudengels wæd (engels weed), oudnoors vāð, vgl. gotisch gawĭdan, oudhoogduits wĕtan [binden]; buiten het germ. oudiers fedan [span] (vgl. winden).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gewaad znw. o., mnl. ghewâde, ghewaet o. ‘kleed, kleding’ (ook ‘ingewand’), os. giwādi, wādi, ohd. giwāti, ofri. wēde, oe. gewæde, wæde o. ‘kleed, kleding’; collectief van mnl. waet v., onfrank. wāt, os. wād, ohd. wāt, oe. wæd ‘kleed, kleding’, on. vāð v. ‘weefsel, soort van net’. — idg. wt. *(a)wēdh, *udh, naast *audh ‘vlechten, weven’, vgl. lit. ũdis ‘weefsel’, audžiu ‘weef’ naast oi. vātavē, ōtavē ‘weef’ (IEW 75-76). — Zie: wade 3.

Er is alle aanleiding om deze wortel als afl. van idg. *u̯ē ‘vlechten, weven’ te beschouwen, waarvan nog andere afleidingen voorkomen en wel
met labiaal vgl. weven
met gutturaal vgl. was 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gewaad znw. o., mnl. ghewâde, ghewaet o. “kleed, kleeding” (ook “ingewand”: vgl. ingewand; samenst.: lijnwaet o., nnl. lijnwaad). = ohd. giwâti, os. (gi)wâdi, ofri. wêde, ags. (ge)wæ̂de o. “kleed, kleedij”. Collectivum bij mnl. waet(d), onfr. wât(d), ohd. wât, os. wâd, ags. wæ̂d v. “kleed, kleeding”, on. vâð v. “weefsel, stuk goed, soort van net”. Ablautend met got. gawidan, ohd. wëtan “binden” en met zw. dial. ydd “teugel (voor ossen)”. Zie nog wade III. Buiten ’t Germ. vgl. ier. fedan “span”, gr. ethmoí, desmoí, plókamoi, oi. vivadhá- “schouderjuk”. Of obg. sŭ-vada “strijd” hierbij hoort, is zeer dubieus. Gr. othónē “linnen”, dat formeel verwant kan zijn, is toch eer een sem. leenwoord. De volle basisvorm is awedhe-, vgl. de verwanten lit. áudżu, áusti “weven”, arm. aud “schoen”, yaud, zaud “band, verbinding”. Zie nog winden. Voor wortelvarianten vgl. weven, voor een niet met wedh- te verwarren basis wadh- zie wedde. Andere etymologieën voor gewaad: 1. bij de (hoogerop met awedhe- verwante) basis wê-, oi. vâ- ”weven”, waarbij ook nog gr. ḗtrion “schering van een weefsel”, lit. vóras “spin” e.a. gebracht zijn, 2. bij lat. ind-uo “ik trek aan”, obg. (ob-)nją, (ob-)uti, lit. aunù, aũti “schoeisel aandoen”, arm. aganim “ik trek aan”, av. aoϑra- “schoen”.

[Aanvullingen en Verbeteringen] gewaad. Lit. áudżu eer van een zware basis: awǝ-dh-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gewaad o., Mnl. ghewade, Os. (gi)wâdi + Ohd. giwâti, collectief van *waad, Os. wâd + Ohd. wât, Ags. wæ'd (Eng. weed), On. wád + Gr. othónē = linnen, Zend wrt. vadh = zich kleeden, verder Lit. audžù = weven.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gewaad. Het grondwoord waad bet. oudtijds kleeding, (Os.: wad, vgl. lijnwaad); ge heeft collectieve kracht. In ’t Hgd. is het woord Gewand (bij ons vroeger òòk, vgl. ’t Mnl.: „Sonder mijn ridders ghewant”) van winden: de stof, die om het lichaam gewonden wordt.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gewaad* kleding 1285 [CG Rijmb.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

1856. In (zijn) pontificaal zijn,

d.w.z. op zijn best gekleed zijn; eig. gezegd van een bisschop, die in zijn pontificaal gewaad gekleed is, d.i. in zijn gewaad van Pontifex, d.i. opperpriester; vandaar ‘in (zijn) pontificaal zijn’, in zijn staatsiekleed zijn, zijn beste plunje aanhebben. Zie Coster, 467 vs. 367: Daar stondtse in haar pontificale volle krits; Brederoo II, 91 vs. 2228; Paffenr. 74: Datjese eens saegt in haer pontificael opgetoyt; Rusting, Volgeestige Werken, 1712, opdragt; Kluchtspel III, 140; Sewel, 646: Zy was in haar pontificaal (op haar best gekleed), she was very richly dress'd; Tuinman I, 20: Hy is in zyn Pontificaal, hy is gedoscht met zyn allerbeste klederen en çieraden; in het fr. en grand pontificat; fri. yn pontefekael wêze.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal