Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geven - (aanreiken, verstrekken)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geven ww. ‘aanreiken, verstrekken’
Onl. gevon sal ‘zal geven, schenken’, ook sal gevan en givon sal ‘id.’, ertha gaf ‘de aarde gaf’, thi uuirthit gegevan ‘jou wordt gegeven’ [alle 10e eeuw; W.Ps.], ich giuo ‘ik geef’, thie gauon mir thiu andwarde ‘zij gaven mij het antwoord’, wirthet gegiuon ‘wordt gegeven’ [alle ca. 1100; Will.].
Os. geƀan; ohd. geban (nhd. geben); oe. giefan (ne. give); on. gefa (nzw. giva); got. giban; alle ‘schenken, verschaffen’; < pgm. *geban- ‘geven’. De relatie met got. gabei ‘rijkdom’ is onduidelijk. Men suggereert wel dat de oorspr. wortel pgm. *gab- is en dat de werkwoorden zijn beïnvloed door de klinker in het tegenovergestelde *neman- ‘nemen’, maar het genoemde Gotische woord zou ook geheel ongerelateerd kunnen zijn. Zie ook → gaaf en → gift.
Men kan een wortel pie. *ghebh- reconstrueren, maar buiten het Germaans zijn er geen zekere verwanten die deze wortel bevestigen. Voor verdere discussie en voor mogelijke verwantschappen, zie → hebben.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geven* [aanreiken, verschaffen, schenken] {oudnederlands gĕƀan 901-1000, middelnederlands geven} oudsaksisch gĕƀan, oudhoogduits gĕban, oudengels giefan, oudnoors gefa, gotisch gĭban; buiten het germ. litouws gabenti [verwijderen].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geven ww., mnl. ghēven, onfrank. gevan, os. geƀan, ohd. geban, ofri. jeva, oe. giefan (ne. give), on. gefa, got., giban. — lit. góbti ‘inwikkelen’, góbtis ‘streven’, oiers gaibim ‘nemen, aangrijpen’, gabāl ‘het nemen’.

Men gaat uit van idg. wt. *ghabh ‘grijpen, nemen’, waarnaast dan lat. habeo met e-formans de betekenis had van ‘hebben, vasthouden aan’. De overgang naar ‘geven’ is dus groot en laat zich niet overbruggen door uit te gaan van een zwevende bet. ‘overdragen van de een aan de ander’ (FW 193). Men beweegt zich nog in de sfeer van ‘grijpen, nemen’ bij woorden als got. gabei ‘rijkdom’, on. gǫfugr ‘rijk’, maar bij de germ. matronennaam Ala-gabiae raken de beide begrippen elkaar: de godinnen beschikken over rijkdommen (eig. die van de aarde), maar schenken die ook aan haar vereerders. Hier kan de overgang liggen van nemen > geven. — Het ww. geven zelf zal een nieuwe formatie binnen het germaans zijn geweest ter vervanging van het oude *dō- ‘geven’ (IEW 408). — Uitgaande van de wortel *ghabh is het e-vocalisme van geven bevreemdend; misschien mag men uitgaan van een wortel *gaf : gōf (te vergelijken met capio; cēpi); maar dat dit het vocalisme e : o zou hebben gekregen onder invloed van het tegengestelde nemen (Kretschmer Gl. 19, 20) zou wel zeer opmerkelijk zijn.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geven ww., mnl. ghēven. = onfr. gëvan, ohd. gëban (nhd. geben), os. gëƀan, ofri. jëva, ags. giefan (eng. to give), on. gëfà, got. giban “geven”. Een germ. ww. van gelijke bet. als idg. dô- in andere talen. Verwant met ier. gabim “ik neem”, lit. gabenù, gabénti “brengen”: alle van den bij gaffel besproken verbaalwortel ghā̆bh-. Uit een grondbet. “overdragen van den een naar den ander” laten zich de bett. “nemen, vatten, hebben, brengen, geven” alle verklaren. Een andere grondbet. heeft on. “nemen, krijgen, geven” gehad (zie vangen). Opvallend is de germ. e, vgl. bezem. Zie gaaf I, gaaf II, gift.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

geven. Eng. to give is niet de regelmatige voortzetting van ags. giefan; wegens de g wsch. uit het Scand. Het gaat niet aan, met Güntert Abl. 60, e - o als normaal idg. vocalisme te beschouwen, waarbij dan de germ. e niet bevreemdend, en kelt. a de voortzetting van een reductievocaal zou zijn. — Weinig overtuigend is een andere verklaring van de germ. e: het germ. ww. nieuw gevormd bij nominale vormen als got. gabei v. ‘rijkdom’ en gaaf II. Zie verder nog hebben Suppl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geven ono.w., Mnl. gheven, Onfra. gevan, Os. geƀan + Ohd. geban (Mhd. en Nhd. geben), Ags. gifan (Eng. to give), Ofri. jeva, On. gefa (Zw. gifva, De. give), Go. giban + Lat. habere = hebben, Oier. gabim - ik neem, Lit. gabendù = ik breng: Idg. wrt. ghabh.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

geve (ww.) geven; Sermoen euver de Weurd (18e eeuw) gaive, Aajdnederlands gevon <901-1000>.

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

geven: iets geven (gaf, heeft gegeven), 1. (i.h.a.) iets opleveren, van nut zijn. Zal ik nog langer blijven wachten, dacht Marrie, het geeft niets vanavond (Doelwijt 1972b: 144); Marrie is een hoer die in een café op klanten wacht. - 2. (i.h.b., van vruchtbomen e.d.) vrucht dragen. Die boom geeft veel.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Het is zaliger of beter te geven dan te ontvangen, men is uiteindelijk beter af als men veel weggeeft dan als men rijkdom verwerft.

In Handelingen 20:35 bepleit Paulus onbaatzuchtigheid en de zorg voor de zwakken. Hij citeert daarbij Jezus, die gezegd zou hebben: 'Het is zaliger te geven dan te ontvangen' (NGB-vertaling; in de NBVluidt de uitspraak: Geven maakt gelukkiger dan ontvangen). In de evangeliën zijn deze woorden niet bewaard.

Statenvertaling (1637), Handelingen 20:35. Ick hebbe u in allen getoont, dat men alsoo arbeydende de swacke moet opnemen, ende gedencken aen de woorden des Heeren Jesu, dat hy geseght heeft, Het is saliger te geven dan te ontfangen. (De Liesveldtbijbel (1526) heeft: Gheuen es saliger dan ontfaen.)
Wij zullen geen gekke dingen doen. Dat geld gaat terug naar de gemeenschap, ook als een stukje zelfbescherming. Het is beter te geven dan te ontvangen. (NRC, dec. 1994)

P.G.J. van Sterkenburg (2001), Vloeken. Een cultuurbepaalde reactie op woede, irritatie en frustratie, 2e druk, Den Haag

geven. Als een jood een hekel had aan iemand kon hij hem toevoegen God geve je veel personeel! Vgl. Van Eijk (1995: 136). Veel personeel betekent veel zorgen. De emotionele betekenis duidt op minachting, afkeer e.d. en kan het best weergegeven worden met ‘ik heb een hekel aan je’.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geven ‘aanreiken, verschaffen, schenken’ -> Javindo heef ‘aanreiken, verschaffen, schenken’; Negerhollands gie, gi, gie(v/f) ‘aanreiken, verschaffen, schenken’; Skepi-Nederlands gef ‘aanreiken, verschaffen, schenken’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geven* aanreiken, verschaffen, schenken 0901-1000 [WPs]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

2623. Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

Deze spreuk is ontleend aan Hand. XX, vs. 35, waar Paulus zegt: Ick hebbe u in allen getoont, dat men alsoo arbeydende de swacke moet opnemen, ende gedencken aen de woorden des Heeren Jesu, dat hy geseght heeft: Het is saliger te geven dan te ontvangen; zie Zeeman, 225; Wander I, 1368; afrik. dis saliger om te gee as om te ontvang; fr. mieux vaut donner que recevoir; hd. Geben ist seliger denn Nehmen; eng. it is more blessed to give than to receive.

681. Weten te geven en te nemen,

d.w.z. in den omgang met anderen toegevendheid weten te vereenigen met de zorg voor eigen belang; meegaand zijn; vgl. hd. zu geben und zu nehmen, versteht nicht jedermann (Wander I, 1376; Eckart, 140); eng. to know to give and take. Sedert de 16de eeuw bekend; vgl. Tijdschrift XVI, 57, waar uit een hekelschrift van het einde der 16de eeuw wordt aangehaald: Ende het is een man van verstandt, hy weet te gheven ende te nemen, maer te nemen aldermeest; Harreb. III, 27 a; fri. nimme en jaen. Synoniem was weten te lichten en te zwaren (zie Ndl. Wdb. VIII, 1968; Molema, 243), dat ook in het Friesch bekend is: men moat lichtsje en swierje kinne.

968. Houden van iemand,

d.w.z. iemand liefhebben. In de middeleeuwen beteekent houden van iets in leen hebben van, iemands vasal zijn (fr. tenir (un fief) de quelqu'un), afhankelijk zijn; vandaar om iemand geven, zich om iemand bekommeren; ophebben met (vooral in de uitdr. vele van hem selven houden, d.i. hoogmoedig, ingebeeld zijn), waaruit zich de tegenwoordige beteekenis van liefhebben, beminnen kan hebben ontwikkeld; fri. fen immen hâlde. Zie het Mnl. Wdb. III. 632-634; Ndl. Wdb. VI, 1148, maar ook in het hd. halten von einem (sich im Sinne mit halten auf einen berührend), iemand hoogachten, met iem. ophebbenZie N. Taalgids, XIV, 17 noot..

1240. Koop geven,

d.w.z. in eigenlijken zin: iets voor minder prijs geven dan men eerst gevraagd heeft; den koop laten doorgaan, den geboden prijs aannemen, en van daar bij overdracht: toegeven, de minste zijn; fri. keap jean, den koop toeslaan, fig. toegeven, den strijd opgeven. De uitdrukking is elliptisch en luidde oorspronkelijk iets beter koop geven, zooals blijkt uit Sart. II, 5, 16: al buldert hy hooch, hy sal noch beter koop geven; Pers, 720 a: Hier nae gaven de Groningers beter koop; Lichte Wigger, 15 r; Pasquilm. 16 (beter koop bieden); Winschooten, 121: Beter koop geven beteekend oneigendlijk geseggelijker sijn; beeter aan de hand gaan. Vgl. eng. cheap, goedkoop, ellipt. voor good cheap; verder Mnl. Wdb. IV, 1839-1840; Van Moerk. 65; Kluchtspel III, 280; Huygens, V, 93:

En 't lykent oock wel rede,
Dat man en vrouw somtijds iens vallen over hoop,
En grommelen en poos, en geve dan weer koop.

Sewel, 409: Koop geeven, to yield, to give way; Halma, 280: Koop geeven, relâcher de sa prétention, mettre de de l'eau dans son vin; Tuinman, I, 115; 136; Willem Leevend I, 324; Harreb. I, 434.

1281. Krimp geven,

d.w.z. het opgeven, bijdraaien, toegeven, in zijn schulp kruipen; eig. krimpen, terugtrekken. Vgl. Winschooten, 127: de Heeren krimpen, dat is, sij staan niet meer op haar stuk, sij beginnen wat toe te geeven: laaten haar ooverreeden; Gew. Weeuw. II, 51: Ik geef geenzints krimp; II, 12; Tuinman I, 277; 282; Br. v. Abr. Bl. I, 223; Ndl. Wdb. VIII, 266. De uitdr. is te beschouwen als eene omschrijving van krimpen; vgl. pas geven = passen. Dat we in krimp, zuidndl. kremp, krimp, krump, een znw. hebben te zien, blijkt uit Hoeufft, 332: van geene krimp weten, zich niet weten in te krimpen, van geldverkwisten gezegd, waarmede te vergelijken zijn Sewel en Halma, die beiden citeeren: daar is nog geen krimp (gebrek, dial. krapte) van geld (dat thans bij ons en in Zuid-Nederland nog in gebruik is; o.a. O.K. 180; Antw. Idiot. 716); Ten Doornk. Koolm. II, 364 a: 't geld geid to krimpe, het geld vermindert; nd. in de Krimm gahn (krimpenKorrespondbl. XXIX, 8.). Ook in het Westvlaamsch kent men krempe geven (De Bo, 1471); in het fri. krimp jaen naast bilûke, slinken, en bilies of bilied jaen. Als bijw. in et kremp hebbe, het krap hebben (N. Taalgids XIV, 196).

2291. Iemand troef geven,

d.w.z. slagen geven; ook iemand flink te woord staan, hem duchtig de waarheid zeggen, hem (af)troeven of overtroeven (no. 62; Tuerlinckx, 495; Antw. Idiot. 929; Villiers, 129); fri. troef opspylje; oantroevje, gevoelig aankomen; tatroevje, krachtig slaan. Vgl. Van Effen, Spect. IV, 1. Hoor vriend, sprak hy, ik heb niet gestudeert, en ik verzeker je dat onze pastoor jou wel anders troef zou geven op al jou redenen die je bijbrengt; Boere-krakeel, 189 en 190; Rusting, 141; Sewel, 798: Troef geeven (slaan), to beat; hy heeft helder troef gehad, he was soundly beaten; 608: optroeven (kastyden), to beat, to whip, to chastize. Deze uitdr. is ontleend aan het kaartspel, waarin de troef de kaart is, waarmede de andere kaarten genomen of geslagen kunnen worden. Vgl. het zuidndl. iemand een pandoering draaien (Leopold, 8) of geven en eene pandoering krijgen, een pak slaag krijgen; Ndl. Wdb. XII, 316; De Bo, 824: pandoer geven, - krijgen, slagen geven of krijgen; Schuermans, 742: iemand travans geven; De Bo, 1186: troef uitgaan, hard tegen iemand uitvaren; Molema, 530 a: van jas (= troefboer) kriegen, slaag of eene berisping krijgen. Van zich aftroeven, flink van zich af spreken, antwoorden; vgl. De Arbeid, 4 Maart 1914 p. 4 k. 3: Natuurlijk werd ik heftig bestreden. Evenwel ik troefde ook van mij af.

Eveneens zijn aan het kaartspel ontleend de uitdr. zijn laatsten troef uitspelen, hd. den letzten Trumpf ausspielen; eng. to play one's last trump, zijn laatste middel beproeven, waarvoor men in Zuid-Nederland volgens Tuerlinckx, 329 en Joos, 90 zegt zijn lesten knikker in de o zetten en vroeger bij ons zijn laatste brood bijzetten (Sart. I, 1, 59; Ndl. Wdb. III, 1553). Een hoogen troef uitspelen, een krachtige poging beproeven; vgl. Handelsblad, 28 Oct. 1923 (O), p. 10 k. 5: De regeering had gemeend een bijzonder hooge troef uit te spelen door haar lot aan onze verfoeide Vlootwet te verbinden. De troeven in handen houden, meester van het spel zijn, zorgen de baas te blijven. Geen troef verzaken, de gelegenheid niet laten voorbijgaan; zie E. Wolff-Bekker, Zieke Mietje: Die verzaakt geen troef als er een plaisierpartytje te nemen is. Armoede is troef, er heerscht voortdurend armoede, dat ook volgens Rutten, 236 b; Antw. Idiot. 1267; Teirl. 22; Claes, 243; Waasch Idiot. 662 b en Joos, 71 in Zuid-Nederland bekend is, en te vergelijken is met het is dalles (armoede) troef (in Groot-Nederland, 1914, 393); Rusting, 193: krabben, lollen, bijten was troef; Tydeman is troef (in Nkr. VII, 22 Febr. p. 2); rood is troef (in Nkr. VII, 18 Oct. p. 4); Die ziet, hoe bedrog en misleiding al jaren troef is geweest (Nkr. IX, 10 Juli 1915); Zij achten de vraag of in den Amsterdamschen raad reaktie troef zal zijn, dan wel de democratie den toon zal aangeven, van geen belang (Het Volk, 7 Juli 1915, p. 1 k. 1); Het Socialisme was in die dagen troef in het Noorden des lands (Het Volk, 16 Jan. 1914 p. 5, k. 4); Handelsblad, 26 April 1923 (O) p. 6 k. 3: Het zal een interessant stuk Roomsche machtspolitiek beteekenen, het uitspelen van een nieuwe zwarte troef, waarvan Mr. dr. Jan v. Best waarschijnlijk nog niet durfde droomen, toen hij vier jaar geleden zeide: Rome is troef. Het dial. hd. da ist Treff (= fr. trèfle), Schellen (= Maulschellen, maar ook in het kaartspel ruiten) Trumpf, daar vallen klappen, daar is schoppen troef, zooals onze voorouders zouden zeggen; da ist jetzt Dreck Trumpf, daar ziet het er slecht uit. Ook in Zuid-Nederland is de uitdr. troef geven (- krijgen) bekend (Antw. Idiot. 1267).

2411. Iemand op de vingers tikken (of geven),

d.i. hem licht berispen, hetzelfde als ‘iemand op de kneukels kloppen, hem wederhouden en straffen, wanneer hy zich te veel aanmatigt, of zyne handen te verre wil uitsteken’ (Tuinman II, 148; Joos, 73) of iemand op den duim kloppen (Hooft, Tacitus Jaarb. 140; Tuinman I, 328); in Zuid-Nederland: iemand op zijn duimen kloppen, hem duchtig hekelen, wederleggende beschamen; ook: iemand doen betalen; syn. van iemand op zijn kneukels tikken (zie Antw. Idiot. 384; De Bo, 277; Teirl. II, 151). Vgl. C. Wildsch. V, 124: Als mijn conscientie mij geen rust laat, voor ik eens eene hoogwelgeboren vrouw wat op de vingers getikt heb, die het wat al te erg maakt, omtrent lieden van geen geboorte; bl. 132: Dit is de reden dat ik u, die ik zo hoog acht, bij alle gelegenheden zo plaag, kwel en op de vingertjens tik; evenzoo in II, 210; V, 219; VI, 2; W. Leevend, II, 151. In W. Leevend, I, 324: op de vingers krijgen; I, 26: iemand op de vingeren kloppen; V, 66; 114: op de vingeren geeven; Janus, 42: op de kneukels krijgen; C. Wildsch. V, 308: op de handen tikken; afrik. iemand op die vingers tik; fr. donner sur les doigts à qqn; hd. einem auf die Finger klopfen (Grimm III, 1656); eng. to rap a person's knuckles; to get upon the finger-ends (verouderd).

2442. Voet geven,

d.i. steunen, begunstigen, zoowel van personen als denkbeelden en gevoelens gezegd ‘gelegenheid geven om vastigheid te krijgen’ (Weiland). Het znw. voet heeft hier de beteekenis van steunpunt, waarop iets rust; evenals in voet krijgen, eig. een steunpunt krijgen, vastigheid krijgen, ingang vinden, invloed krijgen. Vgl. het fr. avoir pied (dans l'eau), sentir le fond sous ses pieds, grond krijgen; donner du pied à un mur, élargir la base; donner du pied à une échelle, l'appuyer en l'inclinant pour lui donner plus d'équilibre; prendre pied, gagner confiance; hd. festen Fusz Fassen; eng. to get a footing (vgl. westvl. voeting). Op de oudste plaatsen luidt de uitdrukking gewoonlijk de(n) voet geven; vgl. Despars I, 362: Ghemerct dat zy hemlieden oyt totter piraterie verwect ende voet ghegheven hadden; Kiliaen: Den voet gheven, oorsaecke geven, dare ansam, prebere occasionem, fenestram aperire; Servilius, 210*: fenestram aperire, den voet gheven; Sart. I, 4, 56: de voet geven; III, 7, 48: fores aperire, de voet geven; Dagb. van Jan de Pottre, 84: De prince van Orannen die huerlien den voet gaf; Idinau, 125:

 Iemandt den voedt gheven.
 Die klemmen wilt, die gheeftmen den voedt,
 So gheeft men oock voetsel tot eenigh quaedt.

Uit deze plaats blijkt, dat de oorspronkelijke beteekenis moet geweest zijn: iemands voet steunen om hem op te lichten (vgl. iemand een beentje geven, hem helpen te paard stijgen, eng. to give a leg (up), en iemand een gatje geven, hem een zetje of een duw geven, om hem op te wippen (Ndl. Wdb. IV, 344), eene meening, die bevestigd wordt door Trou m. Bl. 16:

 Siet geen veijnster! dat moeten wij inne.
 Ick salder na climmen, geeff mij den voet!
 En dan sal ick de deure open doenVgl. de synonieme uitdrukkingen staantje geven, de handen saamgevouwen houden derwijze dat een ander er den voet kunne opstellen als op eenen trap, om ergens op te klimmen of aan te geraken (De Bo, 1086); bokjestoan (Molema, 47), oostfri. bukstân; eenen bok zetten (Schuermans, 66 b; Bijv. 44 a); leertje staan, leerken staan (Tuerlinckx, 555; Antw. Idiot. 751; Ndl. Wdb. VIII, 1304); schoudertje staan of schortje staan (Bijv. 184 a); schoere of schoerk(en) staan (De Bo, 999 b)..

Bij Winschooten, 340: Iemand een voet geeven, iemand iets inwilligen, iemand aanleiding ergens toe geeven; Ned. Hist. 458: voet nemen, aanleiding nemen; 412: voet hebben, een grondslag hebben, een begin hebben; Sart. I, V, 58: In aqua haeret, hy heeft geen vaste voet; Vondel, Adonias, 553: Daar Nathan my kroont om dien weerspanneling geen' voet in 't rijck te geven; Tuinman I, nal. bl. 20: Ymand een voet geven, dat wil zeggen, grond en aanleiding, hem plaats ruimen. In de 18de eeuw komt de uitdrukking ook zonder het lidwoord voor, blijkens Langendijk, Wederz. Huwelijksbedr. vs. 1862: Dat gaf aan and'ren voet tot schelmerijen; Van Effen, Spect. III, 21: De gelukkige uitslag van deze stoute onderneming geeft hem voet, om alle die Heren, te groeten; XII, 6: Immers zou ik door my niet te wreken myn belediger voetgeven om my al meer en meer kwaet te doen; Halma, 737: Iemand te veel voets geeven, te veel inwilligen of toelaaten, donner trop de pied à quelqu'un, lui accorder trop de liberté; Sewel, 902: Voet geeven (aanleiding geeven), to give cause; iemand te veel voets geeven (te veel toegeeven), to yield too much to one; fri. immen foet jaen, gelegenheid geven om iets te doen wat hij wel wou (Fri. Wdb. I, 386). Voet krijgen treft men in de 17de eeuw o.a. aan bij Vondel, Salomon, 396: Zoo krijght de godsdienst hier een' vasten voet in 't Rijck; Pers, 472 a: En was Billy oock besich om eenigen voet in 't noorder-quartier te krijghen; zie verder Van Effen, Spect. III, 79; Op dien grond, waar ze (de Roomsche gezindheid) maar de minste voet krygt, houd ze niet op met geduurig te woelen, om meer en meer aanhang te maken; Schuermans, 824: voet krijgen, veld winnen; Tuerlinckx, 700: ieverans voet krijge, er in gelukken zich ergens beginnen in te dringen; fri. foet krije, voet krijgen; ook: op het spoor komen (in de jacht). Het is zeer wel mogelijk, dat beide uitdrukkingen den voet geven en voet geven (of krijgen) van elkander moeten worden gescheiden, en de laatste niet uit maar naast de eerste is ontstaan.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut