Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gevaar - (onraad; risico; hachelijke toestand)

Etymologische (standaard)werken

Diverse auteurs (2011-), Etymologiewiki

De aangegeven etymologie klopt niet geheel, want het woord is ook al voor Luther in het Nederlands aangetroffen in de betekenis angst, gevaar:

Het Landrecht van Thorn (1180, afschrift 1295) stelt: "alsulcke saecken mugen die schepen sonder gevaer beroepen"[1], al moet daar natuurlijk wel bij bedacht worden dat dit dichter bij het Duits aanzit dan veel andere vroeg- en middelnederlandse werken, omdat het geschreven is in het Limburgs, en niet in het Brabants, Hollands of Vlaams. Een tweede mogelijke vindplaats is Elckerlijc (1495): "Ick claghe u met droevigher herten mijn gevaernis"[2]; daar zou echter gevaernis ook van het werkwoord (ge)varen kunnen zijn afgeleid, en de betekenis "gebeurtenis, voorval, situatie" hebben.

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

gevaar zn. ‘onraad; risico; hachelijke toestand’
Vnnl. ghevaer ‘onraad, gevaar’ [1574; Kil.], in groot gevaer ende waechschale ‘in ernstig gevaar en in grote onzekerheid’ [1590; WNT waagschaal], ook al in allerlei vaste verbindingen, bijv. gevaer van brand ‘risico dat er brand ontstaat’ [1640; WNT verwachten], gevaer lopen [1667; WNT remedie], buiten gevaer [1670; WNT toeslaan].
Wrsch. ontleend aan Nieuwhoogduits Gefahr dat sedert Luther ‘gevaar’ betekent, een betekenis die is ontwikkeld uit Middelhoogduits gevare ‘list, bedrog, boos voornemen’, een afleiding met het voorvoegsel ge- (zie → ge- sub c) van vare, vār ‘list, gevaar, vrees’, Oudhoogduits fāra ‘arglist, het belagen’ [9e eeuw; Pfeifer] zie ook → onvervaard, → vervaarlijk.
Verwant met ohd. fāra zijn: mnl. vare, vaer ‘vrees, gevaar’; os. fāra, fār ‘gevaar, hinderlaag’ (nzw. fara < mnd.); oe. fǣr ‘vrees, gevaar’ (ne. fear); on. fár ‘boosheid, bedrog, nood’; daarnaast de afleiding got. fērja ‘bewaker’; < pgm. *fēra- ‘gevaar’. Ook onl. irfērron ‘doen schrikken’ < pgm. *ar-fārjan.
Verwant met: Latijn experīrī ‘doormaken, proberen’, perīculum ‘poging, gevaar’; Grieks peĩra ‘proef, ervaring’ (< Proto-Grieks *perya); Oudiers erud ‘vrees’; < pie. *perh3- ‘pogen, riskeren; voorwaarts gaan, langs gaan’ (IEW 818). Van deze zelfde wortel met uitbreiding misschien ook → vrees.
In het Middelnederlands bestond zonder voorvoegsel al het zn. vare, vaer ‘vrees, gevaar, arglist’, nog tot de 17e eeuw; de Hoogduitse afleiding met ge- van dezelfde wortel is in het Nederlands ontleend in het kader van de grote invloed die de bijbelvertaling van Luther had, of via de oostelijke dialecten in de standaardtaal doorgedrongen is.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gevaar [hachelijke toestand] {1574} < hoogduits Gefahr, middelhoogduits gevare [list, boos voornemen]; het middelnederlands gevaerde, geveerde [arglistigheid, kwade trouw], samenstelling van ge- + vaer, vare [arglistigheid, vrees, gevaar] (vgl. vaar2).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gevaar znw. o., sedert Kiliaen, die wijst op oostelijke herkomst < nhd. gefahr v. (in de bet. ‘gevaar’ eerst bij Luther voorkomend en dan nog alleen in vaste uitdrukkingen als mit Gefahr des Lebens) mhd. gevāre v. (sedert de 14de eeuw) betekent ‘list, bedrog, boos voornemen’. Ouder is de vorm zonder ge- en wel mnl. vāre v., vaer m. ‘vrees, gevaar’, os. fāra v., fār m. ‘gevaar, hinderlaag’, ohd. fāra v. ‘arglist, het belagen’, oe. fær ‘vrees, gevaar’ (ne. fear), on. fār o. ‘boosheid, bedrog’, vgl. nog got. fērja ‘belager’. — lat. experior ‘ervaren’, periculum ‘poging, gevaar’, gr. peĩra ‘poging’. De betekenisontwikkeling was dus ‘arglistige poging, hinderlaag’ > ‘het daaruit ontstaande gevaar’ > ‘vrees’. Voor mogelijke samenhang met de groep van varen vgl. IEW 818.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gevaar znw. o., sedert Kil., die ’t woord “Germ. Sax. Sicamb.” noemt. Uit hd gefahr v., sedert Luther = “gevaar”, laat-mhd. gevâre v. “list, bedrog, boos voornemen”, een samenstelling van ge- en vâre v. naast vâr v. m. “list, gevaar, vrees”, ohd. fâra v. “arglist, het belagen,” = mnl. vâre v., vaer m. “vrees, gevaar”, os. fâra v., fâr m. “gevaar, laag”, ags. fæ̂r m. “vrees, gevaar” (eng. fear), on. fâr o. “boosheid, nood, bedrog”. Hierbij got. ferja m. “belager”. Zie vervaarlijk, vervaard. Verwant met ier. erud “vrees”, lat. perîculum “proef, gevaar”, experior “ik ervaar”, gr. pei͂ra “proef, ervaring”. Voor een verlengde basis naast per-, perêi- vgl. vrees.

C.B. van Haeringen (1936), Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Supplement, Den Haag

gevaar. Oostelijke onz. vormen met de voortzetting van wgerm. â (Kampen, Vel., Achterh., Maastr., hier ook de oude umlautsvorm gəvierlək) wekken het vermoeden, dat het woord vanouds in het oosten bekend geweest is; ook Kil.’s aanduiding der verbreiding wijst hierop. Wellicht is het dus uit oostel. diall., eventueel onder invloed van hd. gefahr, in de algemene taal opgenomen. Van de verwanten buiten het Germ. schrap ier. erud ‘vrees’.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gevaar o., uit Nhd. gefahr, jongere vorming van vaar = vrees.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gevaar (Duits Gefahr)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gevaar, van den Germ. wt. fer, Idg. per (vgl. Lat. periculum = gevaar), waarvoor ’t Ohd. f ara = bespieden, belagen had. De oorspr. bet., n.1. van: bespieden, belagen door menschen, kreeg weldra een ruimeren omvang, zoodat men bijv. ook van gevaar door ziekten, natuurverschijnselen enz. sprak.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gevaar ‘hachelijke toestand’ -> Zuid-Afrikaans-Engels gevaar ‘bedreiging’ ; Negerhollands gevaar ‘hachelijke toestand’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gevaar hachelijke toestand 1574 [Toll.] <Duits

Overige werken

Julius Pokorny (1959), Indogermanisches Etymologisches Wörterbuch, Bern.

per-2: E. per- ‘versuchen, probieren, riskieren, Gefahr’, (= per- ‘hinüberführen, durchdringen’)

Arm. porj ‘Versuch’ (express. p’-); gr. πεῖρα f. ‘Erfahrung, Versuch’, äol. πέρρα (*περι̯α), πειράω, -άζω ‘versuche’, ἔμπειρος ‘erfahren, klug, gewandt’; lat. experior, -īrī ‘versuche, prüfe’, experīmentum ‘Versuch, Prüfung’, comperiō, -īre ‘erfahre genau’, opperior, -īrī, -ītus (und -tus) sum ‘warte, erwarte’, perītus ‘erfahren’, perīculum ‘Versuch, Probe; Gefahr; Prozeß; Anklage’; das ī von perī-tus, -culum stammt aus den Kompositis mit -perior; air. a(i)re ‘Wachen, Aufmerksamkeit’, nir. faire, wegen gallo-brit. areānī Pl. ‘Kundschafter’ aus *pǝrei̯ā; germ.*firina- ‘das Außergewöhnliche’ in got. faírina f. ‘Schuld’, ahd. firina ‘Verbrechen’ usw.; germ.*fēra- ‘Gefahr’ in aisl. fār n. ‘Gefahr, Unglück’, ags. fǣr m., ahd. fār(a) ‘Nachstellung, Gefahr’, zu got. fērja m. ‘Aufpasser’, ahd. fārēn ‘auflauern’ usw.; vielleicht dazu mit Abtönunggr. ταλαί-πωρος ‘geplagt’ als ‘Gefahren erduldend’.

WP. II 28 f., WH. II 288 f.

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal