Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geus - (kleine boegvlag)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geus 2 zn. ‘kleine boegvlag’
Vnnl. op de tweede boot ... stond op de neus een Prinsse geus ‘een prinsengeus, boegvlag met de prinsenkleuren’ [1677; WNT prins I]; een geus ... van dezelve kleuren ‘een boegvlag met dezelfde kleuren (oranje blauw en wit)’ [1685; WNT]; nnl. wimpel, vlagge, en geus [1740; WNT].
Wrsch. een verkorting van geuzenvlag. De vlag met de kleuren van de prins van Oranje (oranje, wit, blauw) werd, vóór de prins in 1572 als stadhouder van Holland en Zeeland werd aangesteld, vooral door de geuzen gevoerd, zie → geus 1. Dat juist de kleine vlag aan de boegsteng geus heet, is misschien omdat er een kleine nationale vlag werd gevoerd naast grotere vlaggen van stad of provincie.
De geus in de kleuren oranje, wit en blauw, de kleuren van de prins van Oranje en van de Staten-Generaal, werd ook wel prinsengeus of statengeus genoemd.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geus2 [kleine boegvlag] {1685} vermoedelijk hetzelfde woord als geus1.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geus 2 znw. v. ‘kleine vlag aan de boegspriet’ is hetzelfde woord als het vorige en werd overgenomen in nhd. gösch, nde. gjøs en zw. gös.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geus II (kleine vlag aan den boegspriet). = geus I, misschien oorspr. = “geuzenvlag”; maar dat hoeft niet: vgl. eng. jack “vlag, geus”. Uit ’t Ndl., du. gösch m., de. gjøs, zw. gös.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geus 2 v. (vlag), wellicht naar de Watergeuzen, die de kleuren van den Prins van Oranje aan den boegsteng heschen. Hieruit Hgd. gösch, De. gjøs Zw. gös, Ru. gjoeis.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geus ‘kleine boegvlag’ -> Duits Gösch ‘kleine, rechthoekige (op feestdagen in de haven opgestoken) landsvlag; anderskleurige bovenste hoek aan de vlaggenstok als deel van de landsvlag’; Deens gøs ‘kleine boegvlag, met name gebruikt door oorlogsschepen die voor anker liggen’; Noors gjøs ‘kleine boegvlag; kleine vierkante vlag op marineschip’; Zweeds gös ‘kleine vlag die (oorlogs)schepen hijsen wanneer ze in een haven liggen’; Fins göösi, köösi ‘steuntouw; kleine vlag aan een touw aan de mast om aan te geven dat het schip een loods nodig heeft’ <via Zweeds>; Russisch gjujs ‘boegsprietvlag’; Bulgaars gjujs ‘vlag in een bepaalde kleur die oorlogsschepen hijsen wanneer ze voor anker liggen’ <via Russisch>; Litouws giuisas ‘vlag die oorlogsschepen hijsen wanneer ze voor anker liggen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geus kleine boegvlag 1685 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal