Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geus - (een partijnaam)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, Amsterdam

geus 1 zn. ‘vrijheidsstrijder’
Vnnl. dese Guesen ‘deze bedelaars, armoedzaaiers’ [1566; WNT waarnemen, zie onder], die gues ‘de opstandelingen, het geuzenvolk’ [1566; WNT wijd I], dese vermaledide Guesen, dese beeldenstormers ‘deze vermaledijde opstandelingen, ketters, deze beeldenstormers’ [1569; WNT verdoemd], hebben sy de stadt ghemaeckt vry, De Geusen ‘... de vrijheidsstrijders’ [1576; WNT vrijmaken].
Ontleend aan Frans gueux ‘bedelaar, schooier’ [15e eeuw; Rey], waarvan algemeen wordt aangenomen dat het zelf, in de soldatentaal, ontleend is aan mnl. guit, guyt ‘landloper, schooier, schurk’, zie → guit. In de uitspraak had geus van meet af aan een slot-s: in de 16e-eeuwse volksliedjes rijmt vive le geus op leus en heus (WNT).
De eerste attestatie van 1566 is afkomstig uit De kroniek van Godevaert van Haecht, waarin verhaald wordt dat een hovelinck en vrint van de regente geheeten Berlaymont, siende dese edelen al te hove comen, seyde tot haerder scanden: “Wat sullen dese Guesen al bedryven,” haer gevende desen naem Gues, welck is te seggen bedelaer en noch meer verachtelyck. De overlevering wil, getuige ook deze vroege kroniek, dat raadsheer Karel van Berlaymont (1510-1578) de leden van het Eedverbond der Edelen bij het aanbieden van het Smeekschrift aan landvoogdes Margaretha van Parma (6 april 1566) zou hebben beschimpt met deze naam, die zij meteen als erenaam aannamen; ze riepen volgens dezelfde bron als reactie uit: Vive le geus! Tegenwoordig wordt aangenomen dat de Nederlandse edelman Hendrik van Brederode (1531-1568), een der aanbieders van het Smeekschrift, de term voor het eerst gebruikte; hij wilde ermee aangeven dat de edelen letterlijk en figuurlijk bedelaars werden onder het heersende Spaanse regime. Aangezien de aanbieders ook als bedelaars werden weggestuurd, namen ze de term als erenaam aan, sloegen geuzenpenningen en droegen de bedelnap als insigne. Brederode ontleende het woord wrsch. aan de Franse schrijver Rabelais, die het gebruikte in de betekenis ‘bedelmonnik’. De naam vond direct algemeen ingang: in het WNT staan tientallen attestaties uit 1566. Onder protestanten bleef geus in de betekenis ‘vrijheidsstrijder’ een erenaam, onder katholieken werd de term al snel synoniem met ‘ketter’ en ‘beeldenstormer’, zie het citaat uit 1569.
geuzennaam zn. ‘zelfgekozen erenaam die oorspronkelijk als scheld- of spotnaam was bedoeld’. Nnl. geuzennaam ‘id.’ [1906; Groene Amsterdammer]. Samenstelling met → naam, naar aanleiding van de overlevering over de oorsprong van de benaming geus. ♦ watergeus zn. (historisch) ‘gevluchte zeevarende opstandeling, zeeschuimer’. Vnnl. zeer groote scaede op waeter voer Vliessinghe ... van de Waeter-Gues ‘zeer grote schade op zee voor Vlissingen door de watergeuzen’ [1572; WNT], ... binder zelve stadt twee ofte drye hondert waterguesen. Zodat die stadt oock revolteerde ... ‘binnen die stad twee- of driehonderd watergeuzen, zodat die stad ook in opstand kwam’ [ca. 1600; WNT]. Samenstelling met → water.
Lit.: R. van Roosbroeck (red.) (1929-30), De Kroniek van Godevaert van Haecht over de troebelen van 1565 tot 1574 te Antwerpen en elders, Antwerpen, 1, 30; H. Bruch (1976), ‘Hoe kwamen de Geuzen aan hun naam’, in: Spiegel Historiael 12

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geus1 [een partijnaam] {gheus 1599} sedert 1566 bij het aanbieden van het smeekschrift der edelen aan landvoogdes Margaretha van Parma geleend < frans gueux [bedelaar, schooier]; de edelen werden door raadsman Berlaymont gueux genoemd, wat zij opvatten als een compliment; de etymologie van het woord is niet duidelijk, mogelijk < middelnederlands guut, guit of guuch, guich, guse [een gezicht dat men tegen iem. trekt].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geus 1 znw. m., sedert 1566 in gebruik, toen op de verbonden edelen het franse woord gueux ‘bedelaar, schooier’ werd toegepast. De herkomst van het fra. woord is duister; het treedt eerst in de 15de eeuw op en wel in de boeventaal. Of het samenhangt met mfra. gueuse ‘keel’ en dan eig. ‘hongerig’ zou betekenen (Gamillscheg 497) is hoogst onzeker; Valkhoff 155 overweegt herkomst < mnl. guit, guut.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geus I znw., sedert 1566, toen het fr. woord gueux op de verbonden edelen werd toegepast. De oorsprong van fr. gueux “bedelaar, schooier, armoedig” is onbekend.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geus 1 m. (bedelaar), uit Fr. gueux: een Bargoensch woord, wellicht ontleend aan het vroeger gewone Ndl. meerv. guits van guit.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

Geus: (hist. eers) skimpn., (later) eren. v. opstandeling in Tagtigjarige Oorlog teen Spanje; Ndl. Geus (sedert 1566) uit Fr. gueux, “bedelaar”; na herk. en verw. word gegis, maar tot nog toe geen sekerheid nie.

Thematische woordenboeken

N. van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geus (Frans gueux)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geus ‘lid van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’ -> Duits Geuse ‘lid van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’;? Deens dialect gøjser ‘visser’; Zweeds geus ‘lid van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’; Frans gueux ‘leden van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’; Tsjechisch géz, geus ‘lid van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’ <via Duits>; Pools gezowie ‘leden van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’; Kroatisch gez ‘lid van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’; Macedonisch gezi ‘leden van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’; Lets gēzi ‘leden van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’ (uit Nederlands of Frans); Litouws gezai ‘leden van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’; Esperanto geŭzo ‘lid van een Nederlandse beweging tegen de Spaanse overheersing in de 16e eeuw’ <via Frans>.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geus lid van een bepaalde partij 1566 [WNT af] <Frans

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal