Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

getuigen - (als getuige verklaren; blijk geven van)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

getuigen ww. ‘als getuige verklaren; blijk geven van’
Mnl. getugen ‘verklaren, getuigen’ [1240; Bern.], gelijc dat hier vore getuget es ‘zoals hiervoor verklaard is [1271-72; CG I, 211], deghene die dat sach, hi ghetuget ’hij die dat gezien heeft, legt er getuigenis van af, vertelt erover‘ [1291-1300; VMNW]; vnnl. de kus die 'k heb ontfanghen getuycht van u weer-liefd', door 't blozen van u wangen ’... getuigt van, geeft blijk van, uw wederliefde ... [1615; WNT wederliefde].
Wrsch. een afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub f) van de wortel van het werkwoord → tijgen ‘trekken, halen’. De betekenis van getuigen is dan ‘als getuige erbij halen, als getuigen samenbrengen’ en een getuige ‘iemand die erbij gehaald wordt om iets te verklaren’. Zie ook → betuigen en → overtuigen.
Mnd. (ge)tugen; ohd. giziugōn ‘verklaren’ (mhd. (ge)ziugen, nhd. zeugen); zonder voorvoegsel mnd. tūgen; ofri. -tiuga ‘door getuigen bewijzen’; het vocalisme is niet geheel duidelijk, zo is ohd. -iu- voor -ō- onverwacht, -iu- verschijnt alleen voor i, j of u. Wrsch. zijn dit dus afleidingen van een woord als pgm. *teugi-, dat hogerop naast pgm. *teuhan- (alleen continentaal West-Germaans) staat, zie verder → tijgen.
getuige zn. ‘persoon die bij een handeling aanwezig is’. Mnl. getuge ‘persoon die een verklaring aflegt’ in thenen sekeren ghetughe van mi ‘als betrouwbare getuige van mij’ [1276-1300; CG II, Lut.A], valsche ghetughen [1461; MNW]; ‘persoon die erbij aanwezig is’ in de heele stadt was ghetuyghe van dese wondernisse [1640; WNT wonder I]. Afleiding van het werkwoord; een getuige is iemand die erbij gehaald wordt, en wel om een verklaring af te leggen over wat hij gezien of gehoord heeft; de betekenis breidt zich dan gemakkelijk uit naar ‘iemand die erbij aanwezig is of was’. ♦ getuige vz. ‘blijkens’. Vnnl. eerst het zn. in de verbinding getuige zij ... ‘moge ... hiervoor als getuige(nis) dienen’, bijv. in getuige zy een der uitstekenste Françoizen, die ... aldus schrijft [1644; WNT]; nnl. als voorzetsel ‘blijkens, gezien’, in getuige de fraaije teekeningen [1784; WNT], die niet in staat is een welgelijkend beeld te leveren, getuige zijn broddelwerk dat hij een buste van Bilderdijk noemt [1824; WNT wel V]. ♦ getuigenis zn. ‘afgelegde verklaring; bewijs’. Mnl. ghetughenesse in in ghetughenesse der warheit hebbic minen seghel ghehanghen an desen brief ‘als bewijs van echtheid, als verklaring dat dit waar is ...’ [1293; CG I, 1882], die ... man die quam om getugnesse te geuene ‘de man, die kwam om te getuigen van, om een verklaring af te leggen over’ [1291-1300; VMNW]. Afleiding van getuigen met het achtervoegsel → -nis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

getuigen* [als getuige verklaren] {getugen 1201-1250} van ge- + middelnederlands tugen [getuigen], uit een germ. ww., vgl. gotisch tiuhan [trekken] (vgl. tijgen); de oorspr. betekenis is: voor het gerecht halen van mensen met verklaringen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

getuigen ww,, mnl. ghetûghen ‘verklaren, getuige zijn’, mnd. tūgen ‘getuigen’, ohd. giziugōn ‘verklaren’, ofri. tiūga ‘getuigen, door getuigen bewijzen’. — Het woord is alleen continentaal westgerm. en kan van het hd. uitgegaan zijn. Het hoort samen met het ww. *tiuhan ‘trekken’ (zie: tijgen) en dan moet men uitgaan van het brengen der getuigen voor het gerecht.

Verg. verder nog mnl. ghetuuch, ghetûghe, mnd. getūch, mhd. ziuc, geziuc, ofri. tiūg ‘getuigenis’. FW 712 wijst er op, dat de constante vocaal iu (nooit eo) opvallend is; en twijfelend vraagt hij of het uitgangspunt misschien een nomen *teuges zou zijn, ofschoon de –es : -os-stammen regelmatig aanvangsbetoning hebben.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

getuigen ww., mnl. ghetûghen “verklaren, getuige zijn”, ohd. giziugôn “verklaren” (nhd. zeugen), mnd. tûgen “getuigen, door getuigen bewijzen”, ofri. tiûga “id.”. Een continentaalwgerm. woordfamilie, die zich wellicht van ’t Hd. uit heeft uitgebreid, verwant met tuig.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

getuigen ‘als getuige verklaren’ -> Fries getuge ‘als getuige verklaren’; Negerhollands getug ‘als getuige verklaren’; Sranantongo kotoigi, ktoigi ‘als getuige verklaren; getuigenverklaring’; Saramakkaans kotóígima ‘als getuige verklaren’ .

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

getuigen* als getuige verklaren 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut