Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

getijde - (eb en vloed; breviergebed)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

getij(de) zn. ‘eb en vloed; breviergebed’
Mnl. getide ‘breviergebed’ [1236; CG I, 25], seven ghetiden ... sijn seven jaer ‘zeven tijdsperioden, te weten zeven jaar’ [1285; MNW], voer wech metter spoet, dat hi metten ghetide quam Tordrecht ‘voer weg met spoed, zodat hij met het (juiste, hoge) getijde te Dordrecht kwam’ [1365-85; MNW-R], dies sants passien ghetide ‘het jaarlijks terugkerende tijdstip waarop de passie van deze heilige wordt herdacht’ [1393-1402; MNW-R], daer sadt die heer in sijn ghetiden ‘daar zat de vorst in gebed’ [ca. 1440; MNW], hierna volghet terde ghetide vanden seven ghetiden ‘hierna volgt het derde getijde van de zeven (canonieke) getijden’ [1461; MNW]; vnnl. getijde ‘bepaalde tijd, bepaald tijdstip’ [ca. 1578; WNT visschen I], ghetijden, ghetij(d)ghebeden ‘gebedstijden, canonieke gebeden’ [1599; Kil.], getij ‘vloed’ [1684; WNT treden].
Gevormd uit het voorvoegsel → ge- (sub c) en pgm. *tīdi- .
Os. gitīd ‘tijd’ (mnd. getide ‘terugkerende tijd’); ohd. gizīt ‘tijd’ (mhd. gezīt ‘id.’; nhd. Gezeiten ‘wissel van eb en vloed’); nfri. tij ‘regelmatig afwisselend eb en vloed; vloed’; oe. tīd ‘regelmatig afwisselend eb en vloed’ (ne. tide ‘getij, vloed, gelegenheid, tijd’); nzw. tidvatten ‘getij, eb en vloed’.
De betekenis is steeds specifieker geworden: de oorspronkelijke betekenis was een soort collectief begrip ‘tijd’, dat een periode inhield, later kreeg getijde de betekenis van een bepaalde tijd of een vaste terugkerende periode of terugkerend tijdstip, zoals nog steeds in → jaargetijde en → hoogtij. Bij overdracht gaat het dan ook gebruikt worden voor wat er op die tijdstippen plaatsvindt, zodat de betekenis ‘vaste terugkerende gebeden’ ontstaat.

tij zn. ‘periodieke waterstroming van eb en vloed’
Vnnl. tijde ‘getijde’ in Een schip, dat .ij. vaem diep gaet, dat moet hebben een derdendeel tijdes ‘een schip dat een diepgang van twee vadem heeft, kan alleen varen als het tij zodanig is, dat het waterniveau op minimaal één derde tussen laag- en hoogtij is’ [1532; iWNT], tijde, tije “ghe-tijde” [1599; Kil.], ty [1671; iWNT].
Gewestelijke vorm van → getij(de) met wegval van het voorvoegsel en van de intervocalische -d-.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

getijde*, getij [eb en vloed] {getide [tijdruimte, terugkerend ogenblik, afwisseling van eb en vloed] 1236} van ge- + tijd. In de uitdrukking ieder vist op zijn getij [iedereen neemt de gelegenheid te baat om voordeel te behalen] {1632} heeft getij de betekenis van middelnederlands getide [tijdstip].

tij* [eb en vloed] {tijde, tije 1599, vgl. tijdeboeck [getijdenboek] ca. 1475} uit middelnederlands getide [iedere tijdruimte, een gezette tijd, een op gezette tijden terugkerend ogenblik] (vgl. getijde).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

tij znw. o., een noordnl. vorm bij mnl. ghetîde o. v. ‘tijd, ruimte, gezette tijd, kerkelijk feest, kerkelijk getijde, tij, geschikte tijd’, Kiliaen tijde naast ghetijde ‘tijdperk, geschikte tijd’ en tijde, tije naast ghetijde ‘tij van de zee’, os. gitīd v. ‘tijd, gebedtijd’, ohd. gizīt v. ‘vastgestelde tijd, feest’ (nhd. gezeit), een afl. van tijd.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

tij znw. o. Kil. “tijde. j. ghe-tijde. Tempestas, tempestivitas” en “tijde, tije. j. ghe-tijde. Aestus maris”. Oorspr. noordndl. bijvorm (vgl. beurt) van mnl. ghetîde o. (v.) “tijdruimte, gezette tijd, kerkelijk feest, kerkelijk getijde (metten enz.), tij (van de zee), geschikte tijd” (nnl. getij, getijde). Afl. van tijd. Evenzoo ohd. gizît v. “vastgestelde tijd, feest”, os. gitîd v. “tijd, gebedtijd”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

tij o., met aphaerese van ge- uit getijde.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

tij (het), (ook:) duur van een tij, zes uur. Zijn effect*, in* de boven Commewyne gelegen, was ruim twee tij roeiens van de stad verwijderd. Voetnoot: Een tij roeiens is zes uur (van Schaick 1866: 107; oudste vindpl.). - Syn. water* (3). Samenst. tijstoppen*.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

getijde, getij* eb en vloed 1236 [CG I1, 25]

tij* eb en vloed 1532 [Toll.]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

139. Als het (ge)tij verloopt, verzet men de baken(s),

waarnaast ook ‘als het diep, de stroom verloopt’, enz. Onder het (ge)tij verstaat men het regelmatig afwisselend opkomen en afloopen van de zee, vloed en eb, en vervolgens zooals in deze spreekwijze de strooming, de stroom. Neemt deze een andere richting, dan moeten de baken(s), welke den schipper of den loods dien stroom aangaven, verzet worden. Vandaar kreeg bij overdracht de spreekwijze de beteekenis van: bij verandering van omstandigheden neemt men andere maatregelen. Vgl. Cats I, 458: Als 't diep verloopt verset men de bakens; Zoet, 11; Halma, 37: Als het tij verloopt verzet men de bakens, quand les choses changent de face, on change de mesures; Sewel, 53: Als de stroomen verloopen moet men de baakens verzetten, one must accomodate one's self to the times; Tuinman I, 150; Harreb. I, 24 a; Ndl. Wdb. II, 879. Vgl. ook Sewel, 53: De baakens zyn verzet, daar is verandering op gekomen; B. Wolff, 63: de bakens zijn verloopen, de toestanden zijn veranderd; Wander I. 602; fri. as it tij forrint moat men de beakens forsette.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut