Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gesteld - (in een bepaalde toestand verkerend; houdend (van))

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gesteld bn. ‘in een bepaalde toestand verkerend; houdend (van)’
Mnl. gestelt ‘in zekere toestand’ in so is 't weder andersins gestelt ‘dan staat het er weer anders voor’ [1390-1410; MNW-R], ‘bereid’ in daer toe en benic noch niet gestelt ‘daartoe ben ik nog niet bereid’ [1400-20; MNW-R]; vnnl. in de verbinding gesteld zijn op ‘zeer hechten aan’ in zo zeer gesteld op de zuiverheid des lighaams, dat ze ... [1698; WNT zuiverheid]; nnl. ‘houden van’ in de kleine Wim is zeer op mij gesteld [1808; WNT], BN ook in de verbinding gesteld zijn, gesteld geraken ‘alles hebben wat nodig is, klaar zijn (met)’ [1979; De Clerck 1981].
Verl.deelw. van → stellen ‘plaatsen, vormen, inrichten’, letterlijk dus ‘(op zekere wijze) gevormd’, en vandaar ook ‘met een zekere instelling (tegenover iets)’ > ‘gericht op’ > ‘houdend van’.
Een oudere vorm van het verl.deelw. was gestald, zie → gestalte.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gesteld* in de uitdrukking op iets gesteld zijn [iets uitdrukkelijk verlangen] {1451-1500} is gesteld oorspr. het verl. deelw. van middelnederlands hem stellen [zich plaatsen], hem stellen na [najagen].

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

gesteld ‘aangenomen’ (bet. van Latijn positio)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gesteld ‘gehecht; in een bepaalde gesteldheid verkeren’ -> Fries gesteld ‘gehecht; in een bepaalde gesteldheid verkeren’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gesteld* gehecht 1451-1500 [MNW]

Idioomwoordenboeken

F.A. Stoett (1923-1925), Nederlandsche Spreekwoorden, Spreekwijzen, Uitdrukkingen en Gezegden, drie delen, 4e druk, Zutphen

669. Op iets gesteld zijn,

d.w.z. iets uitdrukkelijk verlangen; aan iets hechten, veel van iets houden; sedert de middeleeuwen bekend (Mnl. Wdb. VII, 2069). Het bijv. naamw. gesteld is het verl. deelw. van het werkw. zich stellen en beteekent dus zich gesteld hebben, op iets zijn gaan staan, op iets staan t.w. op een punt, waar men niet wil afwijken; vgl. ik sta er op, d.i. ik wil het; en het reeds in de 17de eeuw voorkomende op iets gezet zijn (d.i. er aan hechten; vgl. Waasch Idiot. 257; fri. er op set weze), waarin gezet het verl. deelw. is van zich zetten. Zie het Ndl. Wdb. IV, 1809.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal