Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gestaag - (voortdurend en in gelijkblijvend tempo; aanhoudend)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gestaag, gestadig bn. ‘voortdurend en in gelijkblijvend tempo; aanhoudend’
Mnl. gestadich, soms met umlaut gestedich ‘bestendig, volhardend’, in gestadech ‘constant, volhardend’ [1240; Bern.], vergangelik inde nit gestadig ‘vergankelijk en niet blijvend’ [1270-90; CG II, Moraalb.]; vnnl. ‘voortdurend en in gelijkblijvend tempo’ in ginghen wy soetgens ende ghestadich nae de schuijt toe [1596; WNT zoetjes]; vanaf de 17e eeuw daarnaast de vorm met syncope gestaag ‘voortdurend, aanhoudend’ in waar ik ga, ik vind gestaâg minnebriefjes [1694; WNT Supp. adresseeren].
Ook vormen zonder voorvoegsel kwamen voor: in het onl. het zn. stēdinussi ‘bestendigheid’ [10e eeuw; W.Ps.]; in het mnl. stadelek (bijwoord) ‘volhardend, constant’ [1240; Bern.], stedich ‘standvastig’ [1390-1410; MNW-R], stadich ‘voortdurend, onophoudelijk’ [1409; MNW-P]; nnl. stadig, staag, tot in de 19e eeuw nog zeer gebruikelijk (nog Afrikaans stadig ‘langzaam’).
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub g) dat hier volledigheid uitdrukt, en het achtervoegsel → -ig, van de wortel van → staan. De vorm gestaag is ontstaan uit gestadig door syncope van de -d-. Zie ook → steeds.
Mnd. (g)estādich, (ge)stēdich, ohd. stātig ‘bestendig, vast’ (nhd. stetig); < pgm. *stēdiga- (alleen West-Germaans); daarnaast zonder voorvoegsel ohd. stāti (nhd. stet ‘gestaag’); mnd. stāde, stēde; ofri. stēde, ‘bestendig, vast’; me. stidig, stedye (ne. steady ‘stabiel, gestaag’); < pgm. *stēdja- (alleen West-Germaans); de wisseling van vormen met ā en ē is het gevolg van umlaut.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gestaag*, gestadig [voortdurend, bestendig] {gestadich 1201-1250, naast gestade 1237} van staan.

staag* [aanhoudend] {1596} samengetrokken uit stadig.

stadig* [voortdurend] {stadich 1201-1250} hollandse vorm van gestadig (vgl. gestaag).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gestadig bnw., mnl. ghestâdich ‘duurzaam, standvastig, vastberaden, vriendelijk’, daarnaast ook ghestâde, stâdich, stâde, vgl. mnd. stāde, stēde, (ge)stādich, (ge)stēdich, ohd. stāti, stātig (nhd. stet, stetig), ofri. stēde, betekent eig. ‘wat staan kan’ < grondvorm *stādia bij het ww. staan. — Zie ook: bestendig.

stadig bnw. is een holl. vorm van gestadig.

staag bnw. is samengetrokken uit stadig.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gestadig bnw., mnl. ghestâdich “duurzaam, standvastig, bedaard, vastberaden, vriendelijk” naast ghestâde “id.”, ook stâdich, stâde, zelden met umlaut ê. = ohd. stâti, stâtig (nhd. stet, stetig), mnd. stâde, stêde, (ge)stâdich, (ge)stêdich “bestendig, vast”, ofri. stêde, owfri. staedik “id.”. Wgerm. *stâ-dia-. Bij staan. Voor de bet. vgl. bestendig.

staag bnw. Door verlies van de intervocalische d uit stadig.

stadig bnw. Behalve in den gecontraheerden vorm staag verouderd. Zie gestadig.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gestadig bijv., Mnl. ghestadich, ghestedich, versterking van stadig (z.d.w. en steeds).

stadig bijv., Mnl. stadich + Hgd. stetig: afgel. van *stade + Ohd. stâti (Mhd. stæ̂te, Nhd. stet) = vast, bestendig, van denz. oorspr. als stad en stade. Hierbij ook een subst. stade = stut, van waar Fr. étai.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gestiedeg verouderd, (bijw.) voortdurend; Vreugmiddelnederlands gestadech <1240>.

J. du P. Scholtz (1961), Afrikaanse woorde en uitdrukkinge - eiegoed of erfgoed?, uitgegee deur Edith H. Raidt, in: Tydskrif vir Geesteswetenskappe, pp. 235-290

Stadig bnw., bw., langsaam. – Ter Laan 972: “Stoadeg, gestadig, langzaam. Knecht: Wie aarbaidṇ stoareg deur. Boer: Ja, veuls te stoareg.” Het stadig in die betekenis “langsaam” sy algemeenheid in Afrikaans te danke aan invloed van die seemanstaal? Sien Ndl. Wdb. XV, 435.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Stadig, van stad; het woord w.d.z.: wat een stad (= standplaats) heeft, wat dus vast staat, wat voortduurt en niet verandert, evenals „bestendig”; versterkt tot gestadig.

Gestadig, van ’t Mnl.: ghestade = standvastig: „Gestade vriende.” – Zie ook Steeds.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gestaag* voortdurend, bestendig 1240 [Bern.]

staag* aanhoudend 1596 [WNT]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut