Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geslacht - (familie, stamhuis; taxonomische groep; kunne; kenmerk van naamwoorden)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geslacht zn. ‘familie, stamhuis; taxonomische groep; kunne; kenmerk van naamwoorden’
Mnl. geslegte ‘familie, stamhuis, voorouders, nakomelingen, generatie, soortgenoten’ [1240; Bern.], maar meestal in de vorm gheslachte; vnnl. geslachte ‘eigenschap van naamwoorden’ in vande gheslachten ‘over de (taalkundige) geslachten’ [1571; Heyns], ‘sekse’ in gheslacht ‘kunne, sekse’ [1599; Kil.]; nnl. ‘indelingsniveau binnen de taxonomie tussen familie en soort’ in de geslachten der katten, honden, wezels, otters [1857; WNT].
Afleiding met het collectiefvoorvoegsel → ge- (sub d) van mnl. slacht(e) ‘verwantschap’ [1240; Bern.], reeds onl. slahta ‘geslacht, soort’, slahten (mv.) ‘nageslacht, nakomelingen’ [beide 10e eeuw; W.Ps.]. en manigarslachten dugatha ‘deugden van menige soort’ [ca. 1100; Will.], een afleiding van de stam van → slaan. Hoe de betekenis ‘krachtig klappen’ met ‘gelijken op’ moet worden verbonden, is niet duidelijk, wel komt die in de Germaanse talen al heel vroeg voor: Oudhoogduits slahan ‘gelijken op’ en Oudnoords slā ‘id.’. Men denkt aan een ontwikkeling ‘een spoor inslaan’ > ‘zich in een richting ontwikkelen’ > ‘de aard hebben van’. Recenter heeft nogmaals een soortgelijke betekenisovergang plaatsgevonden bij slaan op ‘gelijken op, te maken hebben met’ in dat slaat nergens op; ook kan → slag de betekenis ‘soort, type’ hebben. Er is ook een vergelijkbaar voorbeeld in het Grieks, waar túpos ‘type, soort’ via túpos ‘beeldenaar op geslagen munten’ is afgeleid van het werkwoord túptein ‘slaan’.
Mnl. slacht(e) is verwant met os. slahta (mnd. slachte; ook slechte, waaruit nzw. släkt); ohd. slaht(a); ofri. slacht(e); < pgm. *slahtō-, abstractum bij de stam van pgm. *slahan- ‘slaan’. Germaanse equivalenten van de vorm met ge- alleen in het Duits: mnd. geslechte ‘geslacht’; ohd. gislahti ‘geslacht, eigenschap’ (mhd. gesleht(e), nhd. Geschlecht).
De oorspr. betekenissen (familie, voorouders, nakomelingen, soortgenoten) bestaan ook nu nog. De jongere betekenissen (kenmerk van naamwoorden, kunne, taxonomische groep) zijn uitbreidingen hiervan. Het grammaticaal geslacht (Latijn genus ‘soort, mannelijke en vrouwelijke soort’) heeft daarbij de benaming van het natuurlijke geslacht (Latijn sexus) mee de taalkunde in genomen; een enkele grammaticus gebruikte niet de term geslacht, maar aert, zie → aard, omdat Latijn genus ‘soort’ wel vaker werd vertaald met aard.
geslachtsdeel zn. ‘lichaamsdeel dat het mannelijk of vrouwelijk geslacht kenmerkt’. Nnl. geslachtsdeel ‘id.’ [1872; van Dale]. Ook wel verkort tot geslacht [1968; van der Sijs 2001]. Leenvertaling van Neolatijn pars genitalis.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geslacht* [familie, sekse] {geslachte, geslechte [afkomst, geslacht, sekse] 1201-1250; als grammaticale term 1584} afgeleid van slaan, vgl. voor de betekenis: dit slag van mensen.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geslacht znw. o., mnl. gheslachte, gheslechte o. ‘geslacht, geboorte, afkomst, soort’, mnd. geslecht ‘geslacht’, ohd. gislahti o. (nhd. geschlecht) ‘geslacht, eigenschap’, ofri. slacht, slachte o. ‘geslacht’ uit germ. *gi-slahtia; vgl. verder mnl. slachte, slacht v. ‘geslacht, soort’, onfrank. slahta v. ‘geslacht’, os. slaht o. ‘geslacht’, ohd. slahta v., slaht o. ‘soort, geslacht’, en mnl. nnl. mnd. slachten ‘gelijken op’. Deze woorden zijn t-afl. van de stam van slaan.

De overgang van betekenis is wellicht als volgt te verklaren. Reeds ohd. slahan, on. slā betekenen ‘de aard hebben van’ (vgl. ohd. nach dēn fordorōn slahan ‘de aard van de voorvaderen hebben’). Laat-mhd. nachslahen betekent hetzelfde. Denkbaar is, dat germ. *slahan de bet. had ‘een spoor inslaan’. Dan is dus de ontwikkeling van geslacht ‘het spoor inslaand van’ > ‘de aard hebbend van’ > ‘geslacht’.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geslacht znw. o., mnl. gheslachte, gheslechte o. “geslacht, geboorte, afkomst, soort”. = ohd. gislahti o. “geslacht, eigenschap” (nhd. geschlecht), mnd. geslecht, ofri. slacht(e) o. “geslacht”. Dit *ʒi-slaχtia- sluit zich in tegenstelling tot *ʒi-slaχtia- in andere bett. (bijv. mnd. geslecht, ofri. slachte “stempel”) aan bij mnl. slacht(e) v. “geslacht, soort”, onfr. slahta v. “generatio”, ohd. slahta v., slaht o. “soort, geslacht”, os. slaht o. “geslacht”, mnl., mnd. slachten, nnl. slachten “aarden naar, lijken op”. Al deze woorden zijn met t- formantia afgeleid van germ. slaχ- “slaan”; zie slaan. Formeel staat slachten : slaan = vluchten : mnl. vlien = betichten : mnl. betîen. Vgl. voor de bet. ndl. slag “soort”, ohd. slahan nâh “aarden naar”, ier. slicht “geslacht”: sligim “ik sla”. Voor een ouder germ. woord voor “geslacht” zie kunne.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geslacht v., Mnl. gheslachte + Ohd. gislahti (Mhd. geslehte, Nhd. geschlecht), collectief van slacht = soort: z. slachten 2.

Thematische woordenboeken

K. van Dalen-Oskam & M. Mooijaart (2005), Nieuw bijbels lexicon: woorden en uitdrukkingen uit de bijbel in het Nederlands van nu, uitgebreid met De Nieuwe Bijbelvertaling, Amsterdam

Tot in het derde en vierde geslacht (ook wel met hoger rangtelwoord), tot aan de volgende generaties. Gezegd van het doorwerken van de gevolgen van fouten en misstappen.

Hoe vaak zal het in de wekelijkse kerkdiensten van de kansel geklonken hebben, bij het voorlezen van de Tien Geboden? In de woorden van Exodus 20 (in de NBG-vertaling) luidt de dreiging die op het tweede gebod volgt ('Gij zult u geen gesneden beeld maken ...'): 'want Ik, de HERE, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht van hen die Mij haten [...]' (Exodus 20:5, NBG-vertaling). Nu wordt de uitdrukking nog gebruikt, waarbij men het aantal geslachten soms hoger stelt dan de bijbelse 'derde en vierde'.

Leidse vertaling (1899-1912), Exodus 20:5. Op het derde en vierde geslacht mijner haters.
Fout blijft fout, maar niet tot in het derde geslacht en niet ter beoordeling van een 'goed' dat in deze context uitsluitend gelezen en gewaardeerd dient te worden als 'niet-fout'. (NRC, jan. 1995)
Nog tot in het derde en vierde geslacht hebben de families de schande van de misdaden moeten dragen. (Mare, 12-5-1999, p. 11)
[...] dat het betreurt dat in die tijd zoveel Indonesiërs en ook Nederlanders zijn gevallen in wat achteraf gezien moet worden als een tragische broederstrijd. Alleen betwijfel ik dat het een eind zal maken aan die vetes en trauma's, tenminste niet in het moederland; daar zullen ze vrees ik doorwerken tot in het zevende geslacht. (NRC, okt. 1994)

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geslacht ‘(grammaticaal) genus’ (bet. van Latijn genus)

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geslacht een afl. van slaan; in het Ohd. bijv.: „nah den forderen slahan” = naar de (voor)vaderen slaan of aarden; vgl. ook slag = aard: van dat slag. – Geslacht, waarin ge een collectieve kracht heeft, bet. dus: alles, wat van hetzelfde slag, van dezelfde soort is, wat bijeen behoort; vandaar: familie, stam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geslacht ‘familie’ -> Zweeds släkt, släkte ‘familie, verwanten’ (uit Nederlands of Nederduits); Negerhollands geslagt ‘familie, genus’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geslacht* familie 1285 [CG Rijmb.]

geslacht* sekse 1393-1402 [MNW]

geslacht* als grammaticale term: genus 1584 [Ruijs]

geslacht* genitaliën 1968 [Heestermans, Erotisch Wrdb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut