Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gerief - (gemak; dat wat tot gemak dient)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gerief zn. ‘gemak; dat wat tot gemak dient’
Mnl. gerief, gerijf ‘wat men door goedheid of mildheid ontvangt; genot; voordeel’ in daden hem al sijn gerief ‘deden alles voor hem wat hij wenste’ [ca. 1350; MNW], doeter mede hu gherieve ‘doe ermee wat u goeddunkt’ [ca. 1440; MNW], tonsen gerieve ‘naar onze zin, voor ons gemak’ [ca. 1460; MNW]; vnnl. gherief, ‘gemak, overvloed, voorraad, gerei, vriendendienst’ [1599; Kil.]; nnl. gerief ook (vooral BN) ‘benodigdheden, spullen’ in en meer ander gerief [1881; WNT verhuring]; deze betekenis ook in samenstellingen als schrijfgerief [1849; WNT rekeningboek], naaigerief [ca. 1860; WNT naaien], schoenmakersgerief [1888; WNT schoenmaker], scheergerief [1901; WNT zeep I], in de uitdrukking aan of tot zijn gerief komen ‘krijgen wat men wenst’ [1974; Koenen].
Misschien een afleiding met het voorvoegsel → ge- van mnl. rive, rieve ‘overvloedig, ruim, mild’, van verder onbekende herkomst; zie ook → grif.
Os. gerībon ‘ten gebruike’, mnd. gerīf ‘gemak, wat voor het gemak nodig is’; met ander voorvoegsel mnd. berēf, berīf ‘nut’, owestfri. berewed, byrouwed, birawed ‘met waren geladen?’; misschien afleidingen van mnd. rīve ‘overvloedig’, oe. rīfe ‘rijkelijk’ (ne. rife); on. rífr ‘mild, rijkelijk, hevig, begeerlijk’ en reifr ‘vriendelijk, opgeruimd’; de pgm. wortel vertoonde wellicht ablautende vormen met ē en met ī.
Mnl. ri(e)ve ‘overvloedig’ is misschien verwant met Litouws riebus (bn.) ‘vet’.
In de betekenis ‘benodigdheden voor het uitoefenen van een vak’ gebruikt het NNgerei, ook in samenstellingen.
gerieflijk bn. ‘behaaglijk, aangenaam’. Mnl. gerivelijc, gerieflijc ‘aangenaam’ in wiens vruchten sijn gerieflijc van scine, van roke ende oec van smaken ‘waarvan de vruchten aangenaam van uiterlijk zijn, van geur en ook van smaak’ [ca. 1460; MNW]; vnnl. gherieffelik ‘gemakkelijk, prettig, nuttig’ [1599; Kil.]. Afleiding met het achtervoegsel → -lijk van gerief. ♦ gerieven ww. Mnl. geri(e)ven ‘aangenaam zijn, behagen’ in wat hem bequam, wat hem gereef ‘wat hem aanstond, wat hem behaagde’ [1350-1400; MNW], ‘van dienst zijn’ in om enen yegelijken te geryevene ‘om iedereen van dienst te zijn’ [1400-50; MNW]. Afleiding van gerief. ♦ ongerief zn. ‘hinder, ongemak’. Mnl. ong(h)erief ‘schade, nadeel’ [1315-35; MNW-R], ‘gebrek, ellende’ [1340-60; MNW-P]; ongherief ‘ongemak’ [1599; Kil.]. Afleiding met het voorvoegsel → on- ‘niet’ van gerief. ♦ ongerieflijk bn. ‘onaangenaam, ongemakkelijk’. Vnnl. ongerieflick ‘ongemakkelijk, moeizaam’ [1573; Thes.]; nnl. het huis is ... kleen en ongerieflijk ‘... klein en heeft weinig gemakken’ [1873; WNT uitzien I]. Afleiding met het voorvoegsel → on- ‘niet’ van gerieflijk.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gerief* [genot] {gerief, gerijf [genot, voordeel, winst] 1376-1400} middelnederduits berēf, berīf [nut], gerief [wat men voor zijn gemak gebruikt], oudsaksisch gerīvon [ten gebruike]; etymologie onzeker, maar wel te verbinden met middelnederlands rīve, rijf [mild, overvloedig, rijk voorzien van].

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gerief znw. o., ook, vooral in de saks. streken en in ’t Fri., met î. = mnl. gherief, zelden gherijf o. “door een ander aangedaan genoegen, genot, gemak, voordeel, winst”, ook berijf o. “id.”. Hierbij ’t ww. be-, gherieven (nnl. gerieven), waarnaast gherîven (vaker dan gherijf) “aanstaan, van dienst zijn”. Vgl. mnd. berêf, berîf o. “nut”, gerîf o. (m.) “gemak, wat men voor gemak gebruikt, of noodig moet gebruiken”, os. gerî(v)on “usui”; ook owfri. birewed, byrouwed, birawed “met waren geladen”? Wsch. zijn de ê2- en î-vormen oorspr. identisch, ofschoon het klankverschil moeilijk te verklaren en ablaut êi (> ê2) : î mogelijk is. Wellicht verwant met mnl. rîve “mild, overvloedig”, mnd. rîve “id.”, ags. rîfe “rijkelijk” (eng. rife), on. rîfr “mild, rijkelijk, hevig, begeerlijk”, waarbij wsch. ook on. reifr “vriendelijk, opgeruimd”. Men heeft lit. rëbùs “vet” vergeleken, verwijzend naar oi. sphā́yate “hij wordt vet”: ags. spêd “geluk”.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gerief o., Mnl. gerief, daarnevens sporadisch Nnl. gerijf: is de Fri. vorm van het collect. van roof en = roerend goed (z. rooven en reeuw 2).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gerief* genot 1376-1400 [MNW]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut