Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geren - (een schuine richting hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geer 2 zn. ‘schuin lopend stuk land, schuin toelopende strook’
Onl. geren (mv.) ‘schuin toelopende stukken land’ [1130-61; Slicher van Bath, 50-51], de plaatsnaam Gere (onbekende ligging in Gelderland) [ca. 1200; Künzel]; mnl. vi morghen lants in dien ghere ‘6 morgen land in de (schuine) strook’ [1280-87; CG I, 498], geer ‘schuine strook stof, afhangend deel van een kledingstuk’ in den rudder namen si bi den ghere ‘zij pakten de ridder bij de slippen vast’ [1350; MNW]; vnnl. geer ‘schuine plank’ in alle geeren de welcke aen den bodem ende decxsels (van de doodkisten) werden gevoeght [1658; WNT voegen I].
Hetzelfde woord als → geer 1 ‘werpspies’; de betekenis is dus oorspronkelijk ‘zaak die in vorm op de spits toelopende punt van een werpspies lijkt’. Van deze afgeleide betekenis ook het werkwoord → geren ‘schuin toelopen’.
Een geer is ook een heraldisch motief: een driehoekig vak in het schild, gevormd door een lijn uit een schildhoek en een lijn uit het midden van de aangrenzende schildrand, die elkaar in het middelpunt van het schild raken. Dit motief komt o.a. voor op het wapen van de Belgische provincie West-Vlaanderen en was oorspronkelijk het wapen van het hele graafschap: het wapen van Vlaanderen ... bestond ... uit vijf geeren van lazuur op een gulden veld, met een schildeken in het midden [1868; WNT lazuur]; het motief van de leeuw is meegebracht door de kruisvaarders. Een gegeerd schild is bezet met een of meer van deze geren.
geren ww. ‘schuin toelopen’. Vnnl. eerst in de Hollandse vorm gieren ‘schuin (toe)lopen’, in ghieren, als een landt dat giert ‘niet recht lopen’ [1618; WNT gieren]; nnl. dat huis geerd, gierd, is heel schuins gebouwd [1701; WNT gieren], dat huis geert ‘de muren lopen niet evenwijdig’ [1876; WNT], een rok geeren ‘een rok naaien met naar boven smal toelopende banen’ [1876; WNT]. Afleiding van het zn.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geren* [schuin lopen] {1829} van geer1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geeren ww. Afl. van geer; later-nnl.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geeren 2 ono.w. (schuin loopen), + Hgd. gehren, afgel. van geer 2.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

5gier ww.
1. In 'n skuins rigting afwyk. 2. Skuins ry op 'n brander, branderplank ry.
In bet. 1 uit Ndl., gewestelik in S.Holland in die vorm gieren (1598). Bet. 2 het in Afr. self ontwikkel.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geeren: schuin toeloopen, vgl. deze kamer geert of: de wanden geeren, als de eene breedtezijde korter is dan de andere; gegeerde rokken: rokken met smaller wordende banen; vgl. ’t Mnl.: „Hy leidde hem binnen bi den ghere” = slip van den mantel; ook gieren in: gierpont, die schuin toeloopt naar den oever (niet loodrecht). Verwant met geer: de speer der Germanen, die óók schuin toeliep, d.w.z. in een punt eindigde, maar welk woord later meer als stok werd opgevat.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geren* schuin lopen 1829 [H. Martin, Beredeneerd Nederduitsch Wrdb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut