Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gerei - (benodigdheden, spullen)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gerei zn. ‘benodigdheden, spullen’
Mnl. gereide ‘zadel’ [1240; Bern.], gereide ‘wat men ergens voor nodig heeft, benodigdheid’, in hi dede sijn gereide af ... ende ontbant sinen helm ‘hij legde zijn wapenrusting af en maakte zijn helm los’ [1300-50; MNW], al den nacht hi coken dede, om smargens te hebben goede gerede ‘hij kookte de hele nacht, zodat hij 's morgens een ruime voorraad had’ [ca. 1350; MNW]; vnnl. gereide ‘benodigdheden’ in Cupido's ghereyden ‘het gerei van Cupido (zijn boog en pijlenkoker)’ [1584; WNT]; nnl. gereide, gerei “in het dagelijks leven, allerlei gereedschap, alles wat men noodig heeft, om iets te verrigten”, keukengerei, schrijfgerei [1802; Weiland].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- (sub d) van het algemeen Germaanse werkwoord *raidjan ‘gereedmaken’, waaruit ook → bereid, → gereed en → reeds; gerei is datgene wat gereedgemaakt, klaargezet of klaargelegd is. De oorspronkelijk aanwezige uitgang -de is verdwenen door syncope van de -d-, zoals ook in la uit → lade en → sle(d)e.
Mnd. gerede, gereide ‘toebereidselen, uitrusting, geld’, ohd. gireiti ‘spullen’; oe. gerǣde ‘uitrusting’; on. greiða (nzw. grejor ‘spullen’); zonder voorvoegsel: mnd. rede, reide ‘paardentuig’; nfri. reau ‘gerei, gereedschap’; on. reiði ‘uitrusting, toebehoren’.
In het BN wordt in de betekenis ‘benodigdheden’ meestal → gerief gebruikt, ook in de samenstellingen.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gerei* [benodigdheden] {gere(i)de [benodigdheid, toerusting, zadel] 1201-1250} afgeleid van gereed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gerei znw. o., mnl. ghereide, gherēde o. ‘toebereidselen, voorraad, benodigdheden, wapentuig, sieraad’, mnd. gerēde, gereide ‘toebereidselen, uitrusting, sieraad, baar geld’, ohd. gireiti ‘falera’ (maar ook ‘quadrigae’), oe. geræde ‘uitrusting’, on. reiði ‘uitrusting, toebehoren’. — > ofra. agrei, agroi, agré (12de eeuw) ‘wapens; harnas, sieraad; bebouwing van de grond’ (Valkhoff 43). — Afl. van gereed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gerei znw. o., mnl. ghereide, gherêde o. “toebereidselen, voorraad, benoodigdheid, wapentuig, sieraad’’. = ohd. gireiti “falera” (en “quadrigae”; vgl. rijden), mnd. gerêde, gereide o. “toebereidselen, uitrusting, sieraad, baar geld” (ook rêde, reide o. “paardetuig”), ags. geræ̂de o. “uitrusting”, on. reiði o. (in gelijke bet. reiði m.) “uitrusting, toebehooren”. Bij de woordfamilie van bereid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gerei, gereide o. (tuig), Mnl. gereide, gerede = toebereidselen, toerusting, gereedschap, van *gereiden, Mnl. gereden, zooveel als bereiden. Geen verband met Hgd. gerät.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

S.P.E. Boshoff en G.S. Nienaber (1967), Afrikaanse etimologieë, Die Suid-Afrikaanse Akademie vir Wetenskap en Kuns

gerei: “benodigdhede, gereedskap, toerusting”, veral in ss. soos drink-, eet-, kook-, ens.; Ndl. gerei (Mnl. ghereide/gherede) hou verb. m. Ndl. en Afr. bereid en gereed, met Ndl. ww. bereiden en Afr. berei en brei II (q.v.), asook m. Eng. ready.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gerei* benodigdheden 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal