Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gereedschap - (gezamenlijke werktuigen, gerei)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gereedschap zn. ‘gezamenlijke werktuigen, gerei’
Mnl. geretscap ‘toebereidsel, benodigdheid, werktuigen’ [1240; Bern.], vele machinen ende ghereetscap van ghescutten ‘veel toestellen en werktuigen om mee te schieten’ [1460-64; MNW-P], maar ook nog in de oorspronkelijke betekenis ‘gereedheid, bereidheid’, in daer hy ghereetscap maken dede jegen ... ‘waar hij alles in gereedheid liet brengen voor ...’ [voor 1500; MNW-R], ene ghereescap tote allen doechden ‘een bereidheid tot alle deugden’ [1461; MNW]; vnnl. ghereetscap gemaect om die stadt van triere te bestormen ‘werktuigen gemaakt om de stad Trier te bestormen’ [1516; MNW-P], ten slotte beperkt tot ‘werktuigen van een handwerksman’ [1573; Thes.] en in goed gereedschap maeckt een goed werck-man [1657; WNT].
Afleiding met het achtervoegsel → schap van → gereed in de betekenis ‘klaar (voor), bereid (om)’.
Mnd. gerētschap ‘gereedheid, vriendelijke ontvangst, baar geld’, redeschap ‘id., benodigdheden’ (> on. reiðskapr ‘uitrusting, toebehoren’, nzw. redskap), mhd. gereitschaft ‘uitrusting, benodigdheden, baar geld’.
De betekenis ontwikkelde zich van ‘gereedheid, het gereed zijn’ naar wat men nodig heeft om gereed te zijn, ‘toebereidselen, benodigheden’ en vernauwde zich vervolgens tot ‘werktuigen, gerei’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gereedschap* [werktuigen] {gereetscap 1201-1250} van gereed + -schap.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gereedschap znw. o., mnl. (ghe)reetscap, (ghe)reitscap v. o. ‘toebereidselen, benodigdheden’, ook ‘gereedheid, neiging, bereidvaardigheid’, mnd. gerētschap ‘gereedheid, baar geld’, rēdeschap ook ‘benodigdheden’ (daaruit on. reiðskapr), mhd. gereitschaft ‘uitrusting, benodigdheden, baar geld’. — met suffix -schap afgeleid van gereed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

(ge)reedschap znw. o., mnl (ghe)reetscap, (ghe)reitscap v. o. “toebereidselen, benoodigdheden”, ook “gereedheid, neiging, bereidvaardigheid”. = mhd. gereitschaft v. “uitrusting, benoodigdheden, baar geld”, mnd. gerêtschap “gereedheid, vriendelijke ontvangst, baar geld”, rêdeschap v. o. “id., benoodigdheden”, laat-on. reiðskapr m. (in dezelfde bet. als reiði, zie gerei) uit ’t Mnd.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gereedschap, † reedschap ‘werktuigen’ -> Engels † redship ‘uitrusting, benodigdheden, gerei’; Schots † redschip ‘tuig, gerei, uitrusting’; Deens redkskab ‘werktuigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Noors redskap ‘werktuigen’ (uit Nederlands of Nederduits); Petjoh gereedschappen ‘werktuigen’; Negerhollands gereedskap ‘werktuigen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gereedschap* werktuigen 1240 [Bern.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut