Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gereed - (bereid, klaar)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gereed bn. ‘bereid, klaar’
Mnl. orconden die hi iegenwordech heuet ende ghereet ‘oorkonden die hij bij zich gereed heeft’ [1237; CG I, 37], gereet ‘klaar (voor)’ [1240; Bern.], ghereet te sinen dienste ‘gereed, bereid tot zijn dienst’ [1276; CG I, 301].
De grondbetekenis is ‘klaar om te rijden’, net zoals vaardig als grondbetekenis heeft ‘klaar om te gaan’. En zie ook → bereid; in het Middelnederlands kwamen naast gereed en bereid ook vormen als gereit en bereed voor, alle met dezelfde betekenissen, in de 17e eeuw beperken de vormen zich tot gereed en bereid en scheiden de betekenissen zich.
Mnd. gerēt, gerede; ofri. rēde ‘gereed, voorradig’ (nfri. ree ‘klaar, gereed’); oe. (ge)rǣde ‘gereed, vlug, eenvoudig’ (ne. ready); on. greiðr ‘geen moeilijkheden opleverend’; got. garaiþs ‘vastgesteld’; < pgm. *ga-raid(i)a-, een afleiding met het voorvoegsel *ga- bij *raidia-, causatief van*rīdana- ‘rijden’, zie → rijden.
De -ee- in gereed tegenover -ei- in bereid, wordt misschien veroorzaakt door de variatie in de Proto-Germaanse stam *ga-raida- / *ga-raidia- (Schönfeld). Het is waarschijnlijker (FvW) dat hier sprake is van een dialectverschil zoals in kleen naast → klein, en zie ook → gerei.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gereed* [bereid, klaar voor of met een handeling] {gereet, gereit 1230-1231} middelnederduits geret, gerede, gereit, gereide, oudfries rede, oudengels geræde, ræde [gereed, voorradig] (engels ready), oudnoors greiðr [zonder moeilijkheden], gotisch garaiðs [vastgesteld]; buiten het germ. oudiers réid [effen], welsh rhwydd [gemakkelijk]; afgeleid van rijden; vgl. voor de betekenis hoogduits fertig en Fahrt van fahren.

ree3*, reed [gereed] {reet, rede 1357, ree 1526} voor de herkomst vgl. gereed.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gereed bnw., mnl. ghereet, ghereit, mnd. gerēt, gerēde, gereit, gereide, ofri. rēde, oe. geræde, ræde ‘gereed, voorradig’, on. greiðr ‘zonder moeilijkheden’, got. garaids ‘vastgesteld’. — iers rēid (< *rei̭dhi) ‘effen’ (eig. ‘berijdbaar’), kymr. rhwydd ‘gemakkelijk’ (eig. ‘gereed voor het rijden’). — Dus een afleiding van rijden.

De vormen gereed en gereid stammen resp. uit *garaiþa (vgl. got. garaids) en *garaiþja (vgl. ohd. bireiti).

ree 5, rede bnw., mnl. rêde ‘gereed, gereed om te wenden’. — Zie verder: gereed.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

bereid bnw., mnl. bereit, bereet (d) “gereed, bereid”. = ohd. bireiti (nhd. bereit) “id.”, mnd. berêde, bereide “gereed”. Naast dit wgerm. *bi-raidia- germ. *(ʒa-)raið(i)a- in mnl. ghereet, ghereit (gebruikelijker dan bereit, bereet) en (vooral noordndl. in fri.-frankische grensdiall.) rêde, reet, reit “gereed, bereid, voorradig” (nnl. ree, rede (reede)), mhd. gereite, mnd. (ge)rêt, (ge)rêde, (ge)reit, (ge)-reide “id.”, ofri. rêde “gereed, voorradig”, ags. (ge)ræ̂de “gereed, vlug, eenvoudig” (eng. ready), on. greiðr “geen moeilijkheden opleverend”, got. garaids “vastgesteld”. Opvallend is de ê van gereed tegenover de ei van bereid. Deels kan dit verschil daaruit verklaard worden, dat vormen uit verschillende diall. in de schrijftaal zijn doorgedrongen: ê voor ei kan vla. zijn. Maar ook in andere streken is de ê wellicht klankwettig in het bijwoord: *-raidô. Ook mnl. (noordndl.) rêde heeft gew. ê. Opvallend is verder, dat mnl. be-, ghereet, be-, ghereit slechts hoogst zelden een onverbogen vorm op -de hebben. We kunnen van een a-stam = got. garaids uitgaan: die zou meteen het ê-vocalisme verklaren. Veeleer echter zijn de ndl. vormen identisch met de du. en ags.: de vormen op t ontstonden, doordat in de verbogen casus -e als uitgang werd gevoeld; dit kon te eerder omdat de deelww. van (be-, ghe-)rêden, reiden ook (be-, ghe-)reet, reit luidden, met verbogen casus op -de. Het bijw. reeds (reeds mnl., hoewel zeldzaam) is met bijwoordelijke s (zie aanstonds) van mnl. rêde, reet (ook: gherêde, alrêde) “vlug, onmiddellijk” gevormd. Voor de bet. vgl. mnd. rêde(n), reide, ang. already “reeds” en oudnhd. bereit, nhd. bereits “reeds”, welk laatste woord bij de vorming van nndl. bereids “reeds” invloed gehad heeft; mnl. bereide bijw. = “bereidvaardig”. Het ww. bereiden, mnl. bereiden, berêden naast ghereiden, gherêden, reiden, rêden (nnl. reden) komt ook in andere talen voor: mhd. bereiten, (ge)-reiten, mnd. (be)rêden, (be)reiden, ofri. birêda, ags. (ge)ræ̂dan, on. greiða, got. raidjan “in orde brengen” (en afgeleide bett.). Deze woordfamilie is verwant met rijden; *raiðia- heeft dus een dergel. beteekenis-ontwikkeling gehad als hd. fertig, zie vaardig. Vgl. nog gerei.

ree III, reede (gereed, gereed om te wenden, als bijw. ook in alreede), mnl. rȇde. Zie bereid.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gereed bijv., Mnl. ghereet + Mhd. gereite, Ags. geræde (Eng. ready), Ofri. réde, On. greiđr (Zw. en De. grei), Go. garaiþs: ontleding onzeker; het waarschijnlijkst is verband met rijden, met de bet. van rijdvaardig.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Gereed, van zich gereiden = zich gereed maken; vgl.: „Die coninck ghinc hem (= zich) ghereiden ende cleiden” (= kleeden). Zie ook Bereid. – Gerei = paardentuig; zie Bereiden.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

ree, reed ‘(verouderd) gereed’ -> Zweeds redo ‘paraat, gereed, klaar’ (uit Nederlands of Nederduits).

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gereed* bereid, klaar voor of met een handeling 1230-1231 [CG I1, 24]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut