Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gerecht - (rechtvaardig, rechtmatig)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gerecht 3 bn. ‘rechtvaardig, rechtmatig’
Onl. gerehto (bw.) ‘op sterke wijze’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. gherecht ‘rechtschapen’ in sente Seruas de ge[r]echte ‘Sint Servaas de rechtschapene’ [1200; CG II, Servas], gerecht ‘juist, rechtvaardig’ [1240; Bern.], ‘rechtmatig’ in sijn gherechte erue ‘de erfenis die hem rechtens toekomt’ [1278; CG I, 410]; vnnl. een gherechte straf ‘rechtmatige straf, straf die iemand volgens de wet toekomt’ [1600-50; WNT]. Er bestond ook een variant gerechtig met dezelfde betekenissen: mnl. met gerechteghen scalen ende ghewichte ‘met zuivere, juiste, schalen en gewichten’ [1337-78; MNW], om dat hij goet ende gherechtich was ‘omdat hij goed en rechtschapen was’ [1475-95; MNW-P].
Afleiding met het versterkende voorvoegsel → ge- (sub g) van het bn.recht 1 in de betekenis ‘juist’ (zoals in het bij het rechte eind hebben). De variant gerechtig is een afleiding met → -ig van gerecht.
Mnd. gerecht ‘recht, juist, wettig’, ohd. gireht ‘id.’ (nhd. gerecht); oe. geriht ‘recht, juist’; got. garaihts ‘rechtvaardig’; met de uitgang -ig mnd. gerechtich; mhd gerihtec.
Na de 19e eeuw komt het bn. gerecht vrijwel uitsluitend nog voor in de verbinding gerechte straf, in uitdrukkingen als zijn gerechte straf ondergaan en hij zal zijn gerechte straf niet ontlopen; de overige betekenissen zijn overgenomen door woorden als → gerechtigd, rechtmatig, → rechtvaardig en → terecht. De variant gerechtig komt na de 19e eeuw helemaal niet meer voor.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gerecht 3 bnw. (vgl. gerechte straf), mnl. gherecht ‘recht, gestrekt, juist, echt, rechtvaardig, wettig’, mnd. gerecht ‘recht, wettig’, ohd. gireht ‘recht’, got. garaihts ‘rechtvaardig’, afl. van recht 1.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gerecht III bnw. (slechts nog in eenige uitdrr.: gerechte straf e.dgl.), mnl. gherecht “recht, gestrekt, juist, echt, rechtvaardig, wettig”. = (onfr. bijw. gerëhto NB. “forte”), ohd. girëht “recht” (nog niet overdracht. zooals mhd. nhd. gerecht), mnd. gerëcht “recht, wettig”, got. garaíhts “rechtvaardig”. Uit ge- + bnw. recht.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gerecht 2 bijv.(rechtvaardig), + Ohd. geriht, Ags. geriht, Go. garaihts: versterk. met ge- van ’t bijv.nw. recht.

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal