Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gerecht - (rechtbank)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gerecht 2 zn. ‘rechtsprekend lichaam’
Mnl. gerechte ‘rechtbank’, in scrauen gerech ‘de rechtbank van de graaf’ [1237; CG I, 32], ‘recht, rechtsregel’ in behouden souden hore heerscap ende hore gerechten ‘hun zeggenschap en hun rechten zouden behouden’ [1271-72; CG I, 211], ‘rechtspraak’ in alle de gherechten, hoghe ende nedere ‘alle hogere en lagere rechtspraak’ [1271-72; CG I, 209].
Ook in de vorm gericht in gerichte ‘het richten, de rechtspraak’ [1240; Bern.], sinen stoel daer hi op soude sitten te gherichte ‘de stoel waarop hij zou zitten om recht te spreken’ [1291-1300; VMNW gabatha].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- van het werkwoord → richten, rechten in de betekenis ‘rechtspreken’, zie ook → berechten. Het is ook mogelijk gerecht te zien als afleiding van het zn.recht 2 ‘rechtspraak, rechtsregels’. Dat de vorm gerecht(e) meer voorkomt dan gericht(e) en ten slotte de overhand heeft gekregen, is toe te schrijven aan de invloed van het zn. recht.
Mnd. gerichte ‘rechtbank, vonnis, straf’; ohd. girihti ‘rechtspraak, vonnis’ (nhd. Gericht); < pgm. *ga-rihtia-. Zonder voorvoegsel nzw. rätt ‘gerecht’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gerecht2* [rechtbank] {gerechte 1237} van middelnederlands richten, rechten [rechtspreken], met een e o.i.v. recht.

P.H. Schröder (1980), Van Aalmoes tot Zwijntjesjager, Baarn

gerecht

De vraag of gerecht: rechtbank hetzelfde woord is als gerecht: spijs, moet bevestigend worden beantwoord. Ja, meer nog, het is ook hetzelfde als gerecht in uitdrukkingen als: zijn gerechte straf. Wij hebben te maken met een werkwoord richten: sturen, een richting geven en vandaar zowel: recht spreken, vonnissen als: in orde brengen, regelen, aanrechten. Dat richten tot rechten is geworden, is veroorzaakt door de e in het woord recht, de vormen met i zijn dus ouder. De Statenvertaling kent gericht in de betekenis: justitie en voor: spijs. Als Jozef, onderkoning van Egypte, zijn broeders onthaalt, staat er (Gen. 43:34): ‘maer Benjamins gerichte was vijfmael grooter dan de gerichten van hen alle’.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gerecht 1 znw. o. ‘rechtbank’, ook gericht, mnl. gherechte, gherichte ‘recht, vonnis, college, terechtzitting’, mnd. gerichte ‘gerecht, rechtsdistrict, vonnis, straf, getuigenis’, ohd. girihti ‘vonnis’, afgeleid van richten, rechten ‘rechtspreken’; het vocalisme van gerecht staat onder invloed van recht.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gerecht I, gericht (rechtbank) znw. o., mnl. gherechte, gherichte o. “recht, vonnis, (rechterlijk, bestuurs-)college, rechterambt, terechtzitting”. Znw. bij richten, rechten in de bet. “rechtspreken”. Het overheerschende e-vocalisme in ’t Mnl. en Nnl. is aan den invloed van recht toe te schrijven. Gericht is identisch met ohd. girihti o. (nhd. gericht) “judicium”, mnd. gerichte o. “gerecht, rechtsdistrict, vonnis, straf, getuigenis”. De grondvorm van gerecht I en gerecht II is *ʒa-riχt-ia-.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

gerecht 1 o. (rechtsbedeeling, rechtbank), Mnl. gherichte + Ohd. girihti (Mhd. gerihte, Nhd. gericht), collectief van recht. Het is moeilijk te beslissen of men in de laatste gerechten der stevenden te doen heeft met 1. gerecht dan wel met 3. gerecht.

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Recht (bijv.nw.) is als deelw. gevormd van den Idg. wt. reg = sturen, richten; vgl. ’t Lat. regere, ons: regeeren; verder: zich in een rechte lijn uitstrekken, evenals ons rekken (z. d. w.). In de bet. van rekken wil recht dus zeggen: niet afwijkend van de gestrekte richting, dus: niet krom. Zoo verkreeg recht ook de bet. van: in de goede richting gaande, juist, behoorlijk, billijk. Hiervan komt het z.nw. recht: wat goed, billijk is.
Uit de bet. van sturen, richten, leiden (zie boven) komt rechten of richten, waarvan rechter en richter = de bestuurder, de leider van een rechtszitting; de schepenen daarentegen moesten het oordeel, de straf bepalen. Mogelijk is rechten, richten ook uit recht (z.n.w.) ontstaan: recht spreken, recht uitoefenen. – Bij dit rechten, richten behoort ook: gerecht, gericht = 1°. de rechtsspraak, de rechtsoefening, en 2°. de gezamenlijke rechters: gericht houden over iets; bij het gerecht aanklagen; voor het gerecht (de rechters) verschijnen.
In rechtvaardig heeft varen de algemeene bet. van gaan; rechtvaardig is dus: wat recht gaat, evenals hoovaardig: wat hoog gaat (z. d. w.).

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gerecht ‘rechtbank’ -> Negerhollands gerecht, recht ‘rechtbank’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gerecht* rechtbank 1237 [CG I1, 32]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut