Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geranium - (volksnaam voor planten van het geslacht Pelargonium)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geranium zn. ‘volksnaam voor planten van het geslacht Pelargonium
Nnl. geranium “harde buitenlandsche plant” [ca. 1800; WNT zuring], geranium's (mv.) [1861; WNT stokroos].
Ontleend aan Latijn geranium, een afleiding van Grieks géranos ‘kraanvogel’, zo genoemd wegens de snavelvormige vruchtuitsteeksels. Een der Nederlandse volksnamen van de ooievaarsbek is kraanhals, ook ne. crane's bill.
Nhd. Geranie, ne. geranium.
De bij ons onder de naam geranium bekende planten zijn geen ooievaarsbekken, maar kweekproducten van de soort Pelargonium, afkomstig uit Zuid-Afrika. Ook in andere talen, bijv. het Engels, is de Latijnse naam van de wilde plant de volksnaam van de Pelargoniumvarianten geworden.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geranium [plantengeslacht] {1861} < latijn geranium [ooievaarsbek] < grieks geranion [idem], van geranos [kraanvogel]; zo genoemd vanwege het kenmerkend verschijnsel, dat elke deelvrucht uitloopt in een snavel; vandaar de nl. naam voor deze plant: ooievaarsbek, engels crane's-bill (vgl. kraan1).

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geranium znw. v., eerst nnl. < lat. geranium < gr. geránion genoemd naar géranos ‘kraanvogel’, en wel naar de snavelvormig verlengde vruchtstekels, vgl. ook namen als nhd. storchschnabel, ne. storksbill en fra. bec de cigogne.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geranium znw. Nnl. — via het Fr. of Du.? — uit lat. geranium (< gr. geránion, van géranos “kraanvogel”).

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geranium v., uit Lat. id., van Gr. geránion = ooievaarsbek, afgel. van géranos = kraan (z.d.w.).

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

J. van Donselaar (1989), Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Muiderberg

Gera’niumfamilie (de), Ooievaarsbekfamilie, een bepaalde plantenfamilie (Geraniaceae). - Etym.: Genoemd naar geraniumsoorten (Pelargonium-soorten).

Thematische woordenboeken

Nicoline van der Sijs (2005), Groot Leenwoordenboek

geranium (Latijn geranium)

C.A. Backer (1936), Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen

Geránium L. [C. Linnaeus], - Lat. transcr. van den ouden Gr. plantennaam geranĭon, de ooivaarsbek. - Het woord geranĭon is het verkleinw. van gerănos, kraanvogel, een eenigszins op een ooievaar gelijkende vogel met langen, rechten snavel. De naam zinspeelt, evenals de Ned. volksnaam, op de lang gesnavelde kluisjes.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geranium plantengeslacht 1861 [WNT stokroos] <Latijn

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut