Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

geraamte - (raamwerk; menselijk skelet)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

geraamte zn. ‘raamwerk; menselijk skelet’
Mnl. geraemte ‘raamwerk van hout, i.h.b. als rouwstellage, katafalk’ [1340; MNW]; vnnl. gheraemte, gheremte ‘raamwerk, vaste basis van een bouwsel’, geraemte der beenderen ‘menselijk skelet’ [1599; Kil.], deze laatste en huidige betekenis al eerder in Ghi slangen, ghi aderen gheremten ‘Gij slangen, gij adderengebroed (letterlijk addergeraamten)’ [1526; Liesveldt].
Collectiefafleiding met → ge-te van → raam in de betekenis ‘omlijsting, houten voorwerp dat iets omvat of waarop iets gespannen wordt’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

geraamte* [skelet, raamwerk] {geraemte [raam] 1340; de betekenis ‘skelet’ 1599} collectief van raam [latwerk].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

geraamte znw. o., mnl. gheraemte ‘gestel van hout; latwerk, rouwstellage, de gezamenlijke droogramen voor het laken’, eerst sedert de 16de eeuw ook ‘skelet’. — Collectief van raam.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

geraamte znw. o., mnl. gheraemte o. “in elkaar gezet voorwerp, rouwstellage”. In de bet. “skelet” sedert de 16. eeuw. Van raam.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

geraamte o., Mnl. gheraemte, van raam.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

F. Aarts (2017), Etymologisch Dictionairke vaan ’t Mestreechs, Maastricht

gereemsel (zn.) geraamte; < Aokens Jeräms.

G.J. van Wyk (2007), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Supplement, Stellenbosch

geraamte s.nw.
1. Raamwerk van 'n konstruksie. 2. Raamwerk van 'n mens of dier. 3. Uitgeteerde liggaam van 'n mens of dier. 4. Skematiese voorstelling of hooftrekke van iets.
Uit Ndl. geraamte (Mnl. gheraemte in bet. 1, 1526 in bet. 2, 1786 in bet. 3 en 4), 'n afleiding met die kollektiewe voorv. ge- en -te van raam. Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).

Thematische woordenboeken

C.H.Ph. Meijer (1919), Woorden en uitdrukkingen verklaard door Dr. C. H. Ph. Meijer, Amsterdam

Geraamte, in ’t algemeen = het raamwerk ergens van, het latwerk, het vaste gedeelte, b.v. het geraamte van een tent, van een huis (b.v. na een brand); zoo ook fig. van het beendergestel van een mensch.

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Geraamte, van raam, en bet.: het samenstel van de vaste deelen, die, als zij omkleed of aangevuld worden, het geheel leveren, bijv. het geraamte van een stoommachine, schip, roman, lichaam.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

geraamte ‘raamwerk’ -> Fries ramt ‘raamwerk’.

geraamte ‘skelet’ -> Duits dialect Geraamte, Geraamt ‘skelet, mager mens’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

geraamte* raamwerk 1340 [MNW]

geraamte* skelet 1526 [WNT verdoemenis]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut