Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

gepeupel - (het gewone volk)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

gepeupel zn. ‘het gewone volk’
Vnnl. eerst in de vorm ghepuffel ‘gewone volk, rapaille’ [1562; Kil.], dan ghepuffel, ghepopel ‘volk, gewoon volk’ [1599; Kil.], dan gepeupel, in van wiens seer hooghe lof 't ghepeupel lang sal roemen ‘van wiens grote glorie het volk nog lang zal roemen’ [1615; WNT lof I], gepeupel ‘gespuis’ [1644; WNT]. In het vnnl. ook zonder het voorvoegsel ge-, in de spelling peupel in derm peupel ‘het arme gewone volk’ [1548; WNT]; in de vorm popel reeds in het mnl. in ende tpopel riep ende gebard oft die porte breken soude ‘en het volk schreeuwde en gedroeg zich of ze de poort wilden openbreken’ [1315-35; MNW-R]; vnnl. popel ‘volk, gewone volk’ [1599; Kil.].
Afleiding met het voorvoegsel ge- in collectieve betekenis (sub c) van Vroegnnieuwnederlands peupel, ontleend aan Frans peuple ‘volk’ [poblo 842; Rey], ontwikkeld uit Latijn populus ‘volk’, zie → populair. Mnl. popel en vnnl. gepopel kunnen zijn beïnvloed door Latijn populus, maar kunnen ook spellingvarianten zijn. Vnnl. gepuffel is beinvloed door Middelhoogduits gepüfel, gepöfel ‘id.’ en werd ook speciaal gebruikt “om het talrijke Duitsche volkje te Antwerpen, Amsterdam en elders schimpend aan te duiden” (WNT).
In het oude Rome stond populus ‘het volk’ naast senātus ‘de senaat, de raad der ouden’, zie → senaat, en plēbēs, plēbs ‘het lage volk’, zie → plebs, of vulgus ‘het gewone volk’, zie → vulgair. In de keizertijd, toen het gevoel voor de oude verhoudingen verdween, kreeg populus dezelfde betekenis als plēbs, ‘het mindere volk, de lagere klassen’, maar het bleef daarnaast buiten de politiek de algemene betekenis ‘het volk, het algemene publiek’ houden. Deze beide aspecten zijn ontleend in het Oudfrans en via het Frans in het oudere Nederlands. Met de toevoeging van het collectieve voorvoegsel ge- is de betekenis ‘de grote hoop van het volk’ geworden en zo uiteindelijk beperkt tot ‘het lage volk, het grauw’ en ‘gespuis’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

gepeupel [gewone volk] {ghepopel, ghepuffel 1599} van frans peuple [volk], middelnederlands popel [het mindere volk] < latijn populus [volk] + het collectieve ge-.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

gepeupel znw. o., mnl. pōpel < ofra. pueple < lat. populus ‘volk’. De vorm ghepuffel bij Kiliaen kan onder duitse invloed staan, vgl. mhd. povel, bovel, nhd. dial. pofel, pöfel (FW 188), of is misschien hier in de klankverandering een geringschattende betekenis uitgedrukt?

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

gepeupel znw. o., eerst nnl. Bij Kil. ghepuffel (misschien onder du. invloed, vgl. mhd. povel, bovel m. o., nhd. dial. pofel, pöfel; nhd. pöbel m. sedert Luther), mnl. reeds pōpel o., mnd. pōpel m. o. “gepeupel” uit ofr. pueple (fr. peuple), dit uit lat. populus “volk”. Eng. people “volk, menschen” ook uit ’t Fr.; mhd. bovel, povel wsch. uit een rom. vorm met bl.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

gepeupel s.nw.
Onbeskaafde massa, onordelike skare, gespuis.
Uit Ndl. gepeupel (1644), 'n afleiding met ge-, wat oorspr. kollektiewe krag gehad het, van verouderde peupel (Mnl. popel) 'volk'. By Kiliaan (1599) kom ghepuffel en ghepopel voor, eg. miskien onder D. invloed om die groot aantal D. inwoners in stede soos Antwerpen en Amsterdam skimpend aan te dui.
Verouderde Ndl. peupel uit Fr. peuple 'volk' uit Latyn populus 'volk'.
D. Pöbel, Eng. people.

Thematische woordenboeken

M. De Coster (2007), Groot scheldwoordenboek: van apenkont tot zweefteef, Antwerpen

gepeupel: ruw, onbeschaafd volk; de lagere klassen. Sedert ca. 1562. Afgeleid van het Franse woord peuple, dat dan weer is terug te voeren tot het Latijnse populus. In het Middelnederlands had dit woord nog niet het voorvoegsel -ge. Popel betekende toen ‘het volk’, meer bepaald ‘het mindere volk’.

Joods gebroed of rood gepeupel! (Roobjee, Vincent en Astrid van Gogh verdwijnen in een korenveld, 1977)
Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

gepeupel ‘het gewone volk, de onbeschaafde massa’ -> Fries gepeupel ‘het gewone volk, de onbeschaafde massa’; Duits dialect Gepöbel, Gepöpel ‘het gewone volk, de onbeschaafde masse’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

gepeupel gewone volk 1562 [WNT verschrapen II]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut