Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

genot - (het genieten)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

genot zn. ‘het genieten’
Mnl. genot ‘voordeel, winst’ in ghenot of voordeel [voor 1379; MNW], ghenot, profijt ‘voordeel, winst’ [1477; Teuth.]; vnnl. genot ‘voordeel, profijt’ in wat ghenot daerentusschen vanden goede gecomen ‘de winst die het goed inmiddels heeft opgeleverd’ [1604; WNT wat], ‘plezier, genoegen’ in 't recht ghenot leyd in 't ghenoeghen ‘het ware genot zit hem in het plezier’ [1622; WNT hemelrijk].
Ablautend bij het werkwoord → genieten.
Mnd. genot, mhd. genuz ‘genot’ (nhd. Genuss); < pgm. *ga-nuta-.
Ouder is → geniet ‘genot, plezier’, thans alleen nog BN (spreektaal). Ook Fries geniet naast genot.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

genot* [vreugde] {1285} van genieten.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

genot znw. o., laat-mnl. ghenot ‘opbrengst van het veld; voordeel, winst’, mhd. genuʒ (zelden), laat-mnd. genot naast het oudere mnl. gheniet, mnd. genēt, mhd. genieʒ ‘gebruik, nut, voordeel, genot’. — Zie: genieten en genoot.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

genot znw. o., laat-mnl. ghenot (o.?). = mhd. genuʒ (vòòr de 17. eeuw zeldzaam; nhd. genuss m.), laat-mnd. genot o. “genot”. Ouder is mnl. gheniet o., mhd. genieʒ m., mnd. genêt m. o. “genot, voordeel”. Zie genieten.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

genot o., + Hgd. genusz: van denz. stam als 't meerv. imp. van genieten.

Dialectwoordenboeken en woordenboeken van variëteiten van het Nederlands

G.J. van Wyk (2003), Etimologiewoordeboek van Afrikaans, Stellenbosch

genot s.nw.
1. Vreugde en plesier wat ontstaan deur die beskikbaarheid van iets. 2. Iets wat 'n mens geniet.
Uit Ndl. genot (1808 - 1816 in bet. 1 en 2). Eerste optekening in Afr. in Patriotwoordeboek (1902).
D. Genuß.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

genot* vreugde 1285 [CG Rijmb.]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Instituut voor de Nederlandse Taal