Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

genoot - (metgezel)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

genoot zn. ‘metgezel’
Onl. ende allvm then unholdum the hira genotas sint ‘en al de duivels/monsters die hun metgezellen zijn’ [eind 8e eeuw; CG II-1, 26]; mnl. genoot ‘gelijke in rang of aanzien’ in neuet gheen ghenoot ‘heeft zijns gelijke niet’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘metgezel, wederhelft’ in in de ze jn ghenote te samene tue ‘in de zee in stellen van twee’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], elc soect sijn ghenoet ‘ieder zoekt een wederhelft’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ‘makker, metgezel’ in den ... dief, die si zochten ... met anderen sine ghenooten ‘de dief die zij zochten, met nog andere makkers van hem’ [1380-1425; MNW-R]; ook reeds vaak in samenstellingen als speelgenoet ‘speelkameraad’ [1300-25; MNW-R], huusgenoot ‘huisgenoot’ [1460-80; MNW-R] en echtgenoot, zie → echt 2. Daarnaast ook zonder voorvoegsel: in mnl. markenote (mv.) ‘markgenoten, eigenaren van markegronden’ [ca. 1200; Slicher van Bath, 130], met sinen noten ‘met zijn soortgenoten’ [14e eeuw; MNW], rouwe zonder noot ‘rouw die zijns gelijke niet kent’ [ca. 1440; MNW].
Staat ablautend naast → genieten in de oorspronkelijke betekenis ‘gebruiken, profiteren van’. Een genoot was oorspronkelijk iemand die mede gebruik maakte, bijv. van gemeenschappelijke gronden, en dus iemand met wie samengewerkt werd of die dezelfde doeleinden nastreefde, zodat de betekenissen ‘metgezel’ en ‘makker’ konden ontstaan. Ook uit de Middelnederlandse betekenis ‘gelijke in rang, stand, aanzien’ ontstond de betekenis ‘metgezel, makker’. Zie ook → vennoot.
Os. ginōt, ohd. ginōz (nhd. Genosse); oe. genēat. Zonder voorvoegsel ofri. nāt; on. nautr ‘genoot’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

genoot* [deelgenoot, makker] {genote, genoot [iemands gelijke, gezel(lin)] 776-800} oudsaksisch ginōt, oudhoogduits ginōz (hoogduits Genosse), oudfries nāt, oudengels geneat, oudnoors nautr, in ablautverhouding tot genieten; de oorspr. betekenis is ‘iem. die samen met een ander geniet’ in de zin van ‘gebruik maakt van’; voor de betekenis vgl. compagnon, kompaan, kompel, gezel, kameraad, maat2, matroos.

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

genoot znw. m., mnl. ghenoot ‘gelijke, gezel, wedergade’, os. ginōt, ohd. ginōʒ (zelden ginōʒo > nhd. genosse), ofri. nāt, oe. genēat, on. nautr ‘genoot’, staat ablautend naast genieten.- — Men zal moeten uitgaan van een betekenis: ‘hij die met anderen van iets gebruik maakt’ en dan wegens mnl. note, noot ‘opbrengst van het land’, ofri. note ‘opbrengst van landbouw en veeteelt’ degeen die samen met zijn dorpsgenoten deel heeft aan de opbrengsten van het aan de gemeenschap behorende en eerst jaarlijks, dan voor goed onder hen verdeelde grondbezit.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

genoot znw., mnl. ghenoot m. “gelijke in rang, gelijke, gezel, wedergade”, waarnaast noot en ghenôte m. “id.”. = ohd. ginôʒ (zelden ginôʒo > nhd. genosse), os. ginôt, ofri. nât, ags. genêat, on. nautr m. “genoot”. Ablautend met genieten. Oorspr. bet. “die mede *(ʒa)niutiþ”, dus “die meedoet, mede deelneemt aan iets, wellicht speciaal: aan het exploiteeren van ’t gemeenschappelijk grondbezit”. Vgl. gezel, gespelen.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

genoot m., Mnl. ghenoot, Os. genôt + Ohd. ginôʒ (Mhd. genôʒ, Hgd. genosse), Ags. genéat, Ofri. nát, On. nautr = die met een ander geniet, aandeelhebber: van denz. stam als 't enk. imp. van genieten.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

genoot* deelgenoot, makker 0776-800 [CG II1 Utr.doopbelofte]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut