Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

genieten - ((de voordelen van iets) ontvangen; het naar de zin hebben)

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

genieten ww. ‘(de voordelen van iets) ontvangen; het naar de zin hebben’
Mnl. genieten ‘tot zich nemen; profiteren (van); ondervinden, doorstaan’, in dat gi mi selt laten genieten oc der seluer baten ‘dat u mij ook van het voordeel daarvan zult laten profiteren’ [1265-70; CG II, Lut.K], dat waren andre broedre twee die oc dis selues daer genoten ‘er waren nog twee broers die daar hetzelfde doorstonden’ [1265-70; CG II, Lut.K], ofte doe hem eens daghes ghenieten aes met honeghe bestreken ‘of laat hem (een vogel) op een keer met honing bestreken aas eten’ [1287; CG II, Nat.Bl.D], ook reeds ‘het naar de zin hebben, genot ondervinden’ in wie hen daertoe keren, datsi ghenieten leeren, en staens nemmermeer af ‘wie zich erop richt te leren genieten, houdt er nooit meer mee op’ [1340-60; MNW-R]; vnnl. nieten, ghenieten, nutten ‘gebruik maken van, voordeel trekken uit’ [1599; Kil.].
In het onl., mnl. en vnnl. bestond ook de vorm nieten zonder het voorvoegsel ge-, met de betekenis ‘gebruik maken van, bezitten’ in cunni scalco sīnro nieton sal sia ‘het kroost van zijn knechten zal ze in bezit krijgen’ [10e eeuw; W.Ps.]; mnl. laets mi nieten ‘laat mij er voordeel van hebben’ [1470-90; MNW-R].
Afleiding met het voorvoegsel → ge- van een Germaanse wortel die ‘bezit, vee’ betekent, en voorkomt in het Middelnederlands als noot ‘(stuk) vee’ [1240; Bern.].
Os. niotan ‘hebben, gebruiken’, ohd. (gi)niozan ‘(aan)nemen, gebruiken’ (nhd. genießen); oe. nēotan ‘gebruiken, genieten’; on. njóta ‘id.’ (nzw. njuta); got. niutan ‘krijgen, voordeel hebben van’; < pgm. *neutan- ‘in gebruik hebben, bezitten’. Deze ww. staan naast ablautend (alle ‘(stuk) vee’): os. nōt, ohd. nōz; oe. nēat (ne. verouderd neat), ofri. nāt; on. naut (nzw. nöt ‘rund(vlees)’); < pgm. *nauta- ‘bezit’, ablautend horend bij → nut, en zie ook → genoot.
geniet zn. (BN) ‘het genieten, voordeel, profijt, baat’. Mnl. om gheniet ende om ghewin ‘om voordeel en om gewin’ [1340-60; MNW-R], om sghelds gheniet ‘om het voordeel, het genot, van het geld’ [1340-60; MNW-R]; in het NN verdrongen door de latere vorm → genot, in het BN vooral in de spreektaal, bijv. hij heeft er weinig geniet van ‘weinig plezier van’ [1981; De Clerck]; ook Fries geniet naast genot. Afleiding van het werkwoord genieten. Ook mnd. genēt, mhd. geniez ‘genot, voordeel’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

genieten* [vreugde beleven aan, ontvangen] {1265-1270 in de betekenis ‘iets gedaan krijgen, gebruik maken van, genot hebben van, proeven’} van oudnederlands nieton [bezitten], oudsaksisch niotan [bezitten, gebruiken, genieten], oudhoogduits (gi)niozan [pakken, gebruiken, genieten], oudnoors njóta [gebruiken, genieten], gotisch niutan [krijgen, genieten]; buiten het germ. litouws nauda [nut, bezit], lets nauda [geld].

J. de Vries (1971), Nederlands Etymologisch Woordenboek, Leiden

genieten ww., mnl. ghenieten ‘pakken, hebben, gebruiken, genieten, smaken’, zelden (noordnl., dus een frisisme) nieten, onfrank. nieton ‘bezitten’, os. niotan ‘hebben, gebruiken, genieten’, ohd. nioʒan, ginioʒan ‘pakken, aannemen, gebruiken, genieten’, ofri. niāta ‘genieten’, oe. nēotan ‘gebruiken, genieten’, on. njōta ‘gebruiken, genieten’, got. niutan ‘krijgen, genot hebben van’, ganiutan ‘vangen’. — lit. naudà ‘nut, bezit’, lett. naūda ‘geld’, oiers Nuado, brit. 3 nv. enk. Nōdonti, Nōdenti, kymr. Nūdd ‘godennaam’ (IEW 768). — Zie nog: genoot, genot en nut.

Een germ. *nauta ‘bezit’ vinden wij in de betekenis ‘vee’ in mnl. noot, ohd. nōʒ, ofri. nāt, oe. nēat, (ne. neat), on. naut.

N. van Wijk (1936 [1912]), Franck's Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, 2e druk, Den Haag

genieten ww., mnl. ghenieten “pakken, hebben, gebruiken, genieten, smaken, doorstaan”, zelden (noordndl.) nieten. = onfr. nieton “possidere”, ohd. (gi-)nioʒan “pakken, aannemen, genieten, gebruiken” (nhd. geniessen), os. niotan “hebben, gebruiken, genieten”, ofri. niâta “genieten”, ags. nêotan “gebruiken, genieten”, on. njôta “id.”, got. niutan “krijgen, genot, voordeel hebben van”, ganiutan “vangen” (nuta m. “visscher”). Verwant met lit. naudà “nut, bezit”. Mnl. noot, ohd. nôʒ, (os. nôtil demin.), ofri. nât, ags. nêat (eng. neat), on. naut o. “stuk vee”, germ. *nauta- beteekende oorspr. “bezit”; de bet.-ontwikkeling was dus omgekeerd als bij vee. Vgl. nog genoot, genot, nut.

J. Vercoullie (1925), Beknopt etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal, Den Haag / Gent

genieten o.w., Mnl. id., Onfra. nieton = bezitten, Os. niotan = gebruiken + Ohd. ginioʒan (Mhd. genieʒen, Hgd. genieszen), Ags. néotan, Ofri. niáta, On. njóta (Zw. njuta, De. nyde), Go. ganiutan + Lit. naudà = nut, bezit (z. genoot, nut).

Thematische woordenboeken

T. Pluim (1911), Keur van Nederlandsche woordafleidingen, Purmerend

Genieten (ge is versterkend) komt van den Germ. wt. nut: zich iets ten gebruike aanschaffen, iets gebruiken, „nut” van iets hebben. Verwant is: genoot: die iets mede gebruikt. (Vgl. ’t Fr. compagnon, Lat. companio = broodgenoot; van pain, panis = brood, en com, cum = mede.) Ook genot komt van ’t zelfde grondwoord.

Uitleenwoordenboeken

N. van der Sijs (2010), Nederlandse woorden wereldwijd, Den Haag; met aanvullingen uit Uitleenwoordenbank 2015

genieten ‘vreugde beleven aan, ontvangen’ -> Negerhollands geniet ‘vreugde beleven aan, ontvangen’.

Dateringen of neologismen

N. van der Sijs (2001), Chronologisch woordenboek: de ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, Amsterdam

genieten* vreugde beleven aan, ontvangen 1265-1270 [CG Lut.K]

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut