Meehelpen? Ga naar etymologieWiki

 

Jaarwoord generator van Genootschap Onze Taal

 

generisch - (eigen aan de soort]

Etymologische (standaard)werken

M. Philippa, F. Debrabandere, A. Quak, T. Schoonheim en N. van der Sijs (2003-2009) Etymologisch Woordenboek van het Nederlands, 4 delen, Amsterdam

generiek, generisch bn. ‘eigen aan de soort; algemeen; zonder merkrecht’
Nnl. generisch, generiek ‘algemeen, de gehele soort betreffend’, in de ... onderscheidene verdeeling en benamingen ... onder de generische categorie van typhus te rangschikken [1824; WNT Aanv.], de generieke benaming van die eene groote afdeeling der verschillende soorten van het gevoel [1864; WNT aangenaam]; generiek produkt ‘merkloos medicijn’ [1991; NRC], generieke naam ‘stofnaam van een geneesmiddel, tegenover merknaam’ [1992; van Dale], generische geneesmiddelen ‘zonder merkrecht’ [1999; dagblad Financieel Ekonomische Tijd].
Ontleend aan Frans générique ‘tot een soort behorend, de soort bepalend’ [1647; Rey], eerder al ‘algeheel’ [1548; Rey], een geleerde afleiding van Latijn genus (genitief generis) ‘soort’, zie → genre. In veel Franse leenwoorden met deze uitgang trad suffixsubstitutie -iek > -isch op, naar analogie van andere bn. met -isch, die verreweg in de meerderheid zijn (zie bijv.fantastisch, → juridisch; maar → fanatiek, → identiek). Vrijwel altijd bleef uiteindelijk slechts één variant bestaan; opvallend is daarom dat generiek en generisch nog steeds beide voorkomen en volledig synoniem zijn. De vorm generiek wordt mogelijk gesteund door het bestaan van specifiek, dat vaak voorkomt in de tegenstelling generisch/-iek en specifiek.
De betekenis ‘zonder merkrecht (van geneesmiddelen)’ is ontleend aan Amerikaans-Engels generic (drugs etc.) ‘id.’ [1849; OED], ofwel ‘de hele medicijnsoort betreffend, niet aan een merk gebonden’, een specifieke toepassing van ‘algemeen, betreffende de gehele soort’ [1804; BDE], eveneens ontleend aan Frans générique. Ook in deze recente betekenis wordt het achtervoegsel vaak vervangen door -isch.
generiek zn. (BN) ‘aftiteling van een film of televisieprogramma’. Nnl. generiek ‘lijst met namen van medewerkers en andere informatie aan het eind of begin van een film of televisieprogramma’ [1968; De Clerck 1981]. Ontleend aan Frans générique ‘id.’ [1934; Rey], een term waarvan niet duidelijk is waarom en door wie hij voor het eerst gebruikt is; zelfstandig gebruik van het bn. générique, letterlijk ‘dat wat (de soort) bepaalt’, dus ‘de gegevens die bij een film, een programma, horen’.

generiek, generisch bn. ‘eigen aan de soort; algemeen; zonder merkrecht’
Nnl. generisch, generiek ‘algemeen, de gehele soort betreffend’, in de ... onderscheidene verdeeling en benamingen ... onder de generische categorie van typhus te rangschikken [1824; WNT Aanv.], de generieke benaming van die eene groote afdeeling der verschillende soorten van het gevoel [1864; WNT aangenaam]; generiek produkt ‘merkloos medicijn’ [1991; NRC], generieke naam ‘stofnaam van een geneesmiddel, tegenover merknaam’ [1992; van Dale], generische geneesmiddelen ‘zonder merkrecht’ [1999; dagblad Financieel Ekonomische Tijd].
Ontleend aan Frans générique ‘tot een soort behorend, de soort bepalend’ [1647; Rey], eerder al ‘algeheel’ [1548; Rey], een geleerde afleiding van Latijn genus (genitief generis) ‘soort’, zie → genre. In veel Franse leenwoorden met deze uitgang trad suffixsubstitutie -iek > -isch op, naar analogie van andere bn. met -isch, die verreweg in de meerderheid zijn (zie bijv.fantastisch, → juridisch; maar → fanatiek, → identiek). Vrijwel altijd bleef uiteindelijk slechts één variant bestaan; opvallend is daarom dat generiek en generisch nog steeds beide voorkomen en volledig synoniem zijn. De vorm generiek wordt mogelijk gesteund door het bestaan van specifiek, dat vaak voorkomt in de tegenstelling generisch/-iek en specifiek.
De betekenis ‘zonder merkrecht (van geneesmiddelen)’ is ontleend aan Amerikaans-Engels generic (drugs etc.) ‘id.’ [1849; OED], ofwel ‘de hele medicijnsoort betreffend, niet aan een merk gebonden’, een specifieke toepassing van ‘algemeen, betreffende de gehele soort’ [1804; BDE], eveneens ontleend aan Frans générique. Ook in deze recente betekenis wordt het achtervoegsel vaak vervangen door -isch.
generiek zn. (BN) ‘aftiteling van een film of televisieprogramma’. Nnl. generiek ‘lijst met namen van medewerkers en andere informatie aan het eind of begin van een film of televisieprogramma’ [1968; De Clerck 1981]. Ontleend aan Frans générique ‘id.’ [1934; Rey], een term waarvan niet duidelijk is waarom en door wie hij voor het eerst gebruikt is; zelfstandig gebruik van het bn. générique, letterlijk ‘dat wat (de soort) bepaalt’, dus ‘de gegevens die bij een film, een programma, horen’.

P.A.F. van Veen en N. van der Sijs (1997), Etymologisch woordenboek: de herkomst van onze woorden, 2e druk, Van Dale Lexicografie, Utrecht/Antwerpen

generisch, generiek [eigen aan de soort] {1847, generiek 1886} < frans générique, van latijn genus (2e nv. generis) [soort].

Overige werken

Woordenboek der Nederlandsche taal (WNT) & Middelnederlandsch woordenboek (MNW) & Vroegmiddelnederlands woordenboek (VMNW) & Oudnederlands woordenboek (ONW) – alle onderdeel van de Geïntegreerde Taalbank (GTB)

Zoek dit woord op in het WNT, MNW, VMNW, ONW.

Hosted by Meertens Instituut